Cybernetics,
cyberspace, cyberbodies
Cyberspace.
Virtual Reality. Email. RAM. MUD’s. GUI. World Wide Web. Cyborgs.
Het zijn slechts enkele van een reeks ‘buzz-words’ die op korte tijd
een vaste stek hebben verworven in de woordenschat van de westerse
samenleving. Het is moeilijk te geloven dat het internet, een verzamelnaam
voor een aantal activiteiten waarvan gedecentraliseerde computernetwerken
de ruggengraat vormen, zoals dat nu bekend en alomtegenwoordig is
geen decennium bestaat (Howe, 1999). Oorspronkelijk bedoeld als een
communicatienetwerk dat op zo een manier gestructureerd diende te
worden dat een nucleaire aanval de communicatiemogelijkheden niet
zou uitschakelen (Krsitula, 1997) is het internet nu een ‘plaats’
zonder centrum, een groeiend (World Wide) web zonder richting. De
mogelijkheden zijn, of lijken even grens-loos als de groei zelf, enkel
(voorlopig?) gestuit door technologische beperkingen, niet alleen
in ontwikkeling, maar ook, en zelfs in de eerste plaats door infrastructurele
tekortkomingen.
Het
is misschien het radicale karakter, radicaal in ontwikkeling, verspreiding,
penetratiegraad, toepassingen enz., van deze nieuwe technologieën
die de voedingsbodem vormt voor een gevoel dat ‘de mensheid op de
drempel staat van een nieuw tijdperk’, een verandering die volgens
Poster (1995) een even grote impact op cultuur en identiteit kan hebben
als de opkomst van de urbane, mercantiele samenleving in de Middeleeuwen.
In het verzamelwerk Cyberspace. Cyberbodies. Cyberpunk. Cultures
of Technological Embodiment., een verzameling essays samengebracht
door Featherstone en Burrows worden de mogelijke implicaties van deze
veranderingen verkend door aandacht te schenken aan zowel de academische
discussies omtrent deze ontwikkelingen als aan de manier waarop film
en science-fiction, en dan vooral het subgenre van de cyberpunk, gestalte
geven aan wat door sommigen als een zeer nabije toekomst wordt gezien.
Het is de bedoeling van deze tekst, voornamelijk aan de hand van dit
werk, een aantal thema’s te belichten op basis van twee begrippen,
cyborg en cyberspace, die twee complementaire bewegingen aanduiden:
een penetratie van technologie in het menselijke lichaam, en een binnendringen
van ‘de mens’, hoe ook geconceptualiseerd, in de informatienetwerken.
1. Cybernetics.
In
1948 schreef Norbert Wiener een manifest voor een nieuwe wetenschap
getiteld Cybernetics: or Control and Communication in the Animal
and the Machine. Hierin geeft hij een overzicht van een tweeledige
en paralelle geschiedenis, die van het automaton en het menselijk
lichaam. Wiener onderscheidt vier grote periodes in de geschiedenis
van het automaton; een mythisch Golem-tijdperk, het tijdperk van de
klok, het stoomtijdperk en het tijdperk van controle en informatie,
die elk hun eigen model van het menselijk lichaam kennen; het lichaam
als vervormbare, magische klei-figuur, het lichaam als klok, het lichaam
als veredelde stoommachine en het lichaam als elektronisch systeem.
Gelijktijdig met de ontwikkeling van machines waarin niet zozeer energie
maar wel servomechanismen het hoogste belang wegdragen zorgt de ontdekking
van neuronen ervoor dat noch machine, noch menselijk lichaam nog kunnen
gezien worden als conservatieve systemen met vrij beperkte mogelijkheden.
Het beeld van een communicatienetwerk dringt zich op, waarbij de
studie van automata ‘whether in metal or in flesh’ (Wiener, geciteerd
in Thomas 1995: p.24) doordrongen wordt van termen als boodschap,
ruis, codering, informatiehoeveelheid en, bovenal, feedback of terugkoppeling.
Het is precies in feedback, dat bidirectionaliteit of interactiviteit
impliceert, en dan vooral de toegenomen schaal ervan dat de kern van
het cybernetisch systeem uitmaakt. Ook stoommachines kende terugkoppelingstechnieken,
maar de meer complexe technologische systemen die in de jaren ‘40
opduiken laten een diepe penetratie in het sociale veld toe, waar
eerdere automata beperkt bleven tot het industriële weefsel van een
natie. Zoals de titel van Wieners werk laat vermoeden zag hij de toepassing
van deze nieuwe technologische theorie niet beperkt tot de wereld
van de machine, maar heeft deze zienswijze ook zijn validiteit voor
het beschouwen van de werking van menselijke lichaam en geest. Lichaam
en machine worden niet langer gezien als systemen wier voornaamste
functie of activiteit erin bestaat energie te bewaren of te verplaatsen,
communicatie is wat de werking van zowel organisme als machine mogelijk
maakt. Pas binnen deze cybernetische theorie kunnen concepten als
cyborg en cyberspace gedacht worden, en op deze manier staat Wiener
aan de oorsprong van deze termen.
2. Cyborg
De
term cyborg wordt in het leven geroepen door Clynes en Kline, twee
NASA-medewerkers op zoek naar een oplossing voor de schijnbaar onvermijdelijke
effecten van langurig verblijf in de ruimte, die het definiëren als
“ […] the exogenously extended organizational complex functioning
as an integrated homeostatic system unconsciously […]” (geciteerd
in Laughlin, 1996), of het integreren van (biologische) organismen
en machines. Sindsdien wordt de term ‘cyborg’ voor tal van, fictieve
of reëele, configuraties gebruikt zowel in de verschillende populaire
als in de academische discoursen. Charles Laughlin (1996), die de
cyborg vanuit een biogenetisch-structurele hoek
[1] benadert, ziet in de ontwikkeling van de cyborg vier fases,
gebaseerd op de aard en de magnitude van de penetratie van technologie
in het menselijke lichaam. Een eerste fase houdt de vervanging of
verbetering van delen van het geraamte in; eenvoudige protheses als
een houten stok voor het been bijvoorbeeld. In een tweede stadium
wordt niet alleen een deel van het geraamte (zij het niet noodzakelijk)
maar ook een deel van het spiersysteem vervangen. Hier vinden we meer
gecompliceerde protheses terug die een deel van de functies van het
geamputeerde lichaam overnemen, bijvoorbeeld een prothese met een
grijpsysteem voor de hand, of een kunsthart. In een derde fase worden
ook neurale structuren in de perifere, autonome of endocriene systemen
vervangen of verbeterd. Hier worden de voorbeelden schaarser, maar
de pacemaker is een realistische toepassing van deze derde fase. Tenslotte
bereikt de technologische penetratie het centrale zenuwstelsel, een
evolutie binnen het menselijk lichaam die equivalent is met de vervanging/verbetering
van menselijke ‘brain power’ door computers. Een niet onrealistisch
voorbeeld kan de vervanging van ogen door miniatuurcamera’s zijn,
verbonden met de visuele cortex, of het gerucht dat het Amerikaanse
leger onderzoek uitvoert naar de mogelijkheid een via een interface
vliegtuigen rechtstreeks aan het menselijk brein te koppelen. [2]
Abstractie
makend van de verschillende fases kan worden gesteld dat de toenemende
penetratie meer en meer naar de kern van het mens-zijn beweegt, en
tegelijk de neiging heeft zich meer en meer naar de achtergrond te
verplaatsen, eerst door de modificatie aan het visuele veld te ontrekken
(meer realistische protheses, ingrepen binnen het lichaam) om uiteindelijk
uit te monden in een verandering van het bewustzijn zelf. Uiteindelijk,
aldus Laughlin, zullen de structuren die typische menselijke eigenschappen
als emoties, de zintuigen en verbeelding gewijzigd, vervangen of verbeterd
worden wat leidt tot een technologische wijziging van het menselijk
bewustzijn en eventueel de noodzaak van het erkennen van nieuwe vormen
van leven. Of deze evolutie ten goede of ten kwade is is voor Laughlin
irrelevant (hoewel hij de ontwikkeling van cyborgs zeker een aantal
voordelen toekent); zij is onvermijdelijk. Dit is een gevolg van de
technologische aard van de mens die zich manifesteert in de wet van
de ‘bidirectionele penetratie’: het proces van technologische extensie
van het lichaam in de wereld wordt gecomplementeerd door een endogeen
proces van technische penetratie van het lichaam door de wereld. Het
is niet mogelijk de wereld rondom ons te reorganiseren zonder dat
het kennissysteem en het wezen van de mens als homo technicus daardoor
wordt beïnvloed. Sterker nog, wij zijn reeds cyborgs, zelfs als men
niet de ruime betekenis aanvaardt (de mens als cyborg door het gebruik
van instrumenten) maar een daadwerkelijke fysische penetratie van
het menselijk lichaam door technologie voorstaat, zoals de bovenstaande
voorbeelden duidelijk maken. [3] (Laughlin, 1996)
Wanneer
het blikveld verlegd wordt naar de wereld van film en literatuur is
het beeld dat van de cyborg wordt voorgesteld niet het neutrale, ‘bijna-positieve’
imago van de Laughlin-cyborg. De cyborg duikt op in films uit het
actie-, science fiction en horrorgenre met als bekende voorbeelden
de Robocop-reeks, de Terminator-reeks en series als
Star Trek: The Next Generation. De grote bezorgdheid van de
narratieven die in deze films worden ontwikkeld is het bestendigen
van de grens tussen mens en machine, door enerzijds de cyborg de laten
figureren als een belichaming van ‘het kwade’ (overweldigend veel
cyborgs zijn ‘the bad guy’) en hen anderzijds voor te stellen als
ontdaan van elk bewustzijn en gevoel. Cyborgs voelen geen pijn, en
kennen geen emoties, begrijpen ze zelfs niet. Of, een andere mogelijkheid,
in de tegen zijn wil tot cyborg gemaakte mens, een thema dat expliciet
verkend wordt in de film Robocop, voeren de restanten van wat de mens
uitmaakt, meer dan eens geheugen en emoties, een strijd tegen de ontmenselijkende
technologie. (Holland, 1995) De boodschap mag duidelijk zijn, mens
en machine zijn onverenigbaar, een cyborgisering van een biologisch
organisme leidt of tot een totale ontmenselijking (cfr. de Borg in
de Star Trek reeks) of naar een strijd van mens en technologie (cfr.
Robocop waar deze strijd zich binnen het lichaam van de protagonist
afspeelt, of een uitgebreide reeks films waar in een dystopische toekomst
de mens het gevaar loopt door de op hol geslagen technologie vernietigd
te worden).
Een
gelijkaardige dystopische visie wordt ook ontwikkeld in de cyberpunk-literatuur,
een subgenre van de science fiction, dat een wereld beschrijft in
een niet bepaalde nabije toekomst en door sommigen als pre-figuratieve
sociale theorie word beschouwd (Featherstone en Burrows, 1995). Het
genre kent als zijn belangrijste vertegenwoordiger William Gibson,
die met de trilogie Neuromancer, Count Zero en Mona Lisa
Overdrive een universum schept waar mens en technologie innig
maar niet harmonisch verweven zijn. Het is een wereld waarin de macht
van multinationals (de ‘multi’s’) overheersend is en de mens enkel
als individu kan bestaan. Het cyberpunk-lichaam is verregaand, functioneel
of esthetisch ge modificeerd; neurologische ingrepen versnellen de
reacties, implanten als scheermesjes functioneren als lichaamseigen
wapens, interfaces in het lichaam laten via ‘stim-sims’ toe entertainment-reeksen
niet enkel te zien maar ook te voelen, ‘biochips’, computerchips op
basis van biologisch materiaal, maken de symbiose tussen mens en technologie
compleet, de voorbeelden stapelen zich doorheen de bladzijden van
deze romans op. En hoewel in deze literatuur het cyborg-zijn van de
mens door de personages niet wordt bevraagd maar eenvoudigweg beleefd
is de algemene teneur er één van disfunctie; het milieu is vernietigd,
de mens is tot in het extreme gecommodificeerd (de mens als wandelende
organenbank bv.), en interpersoonlijke relaties zijn onbestaande.
De essentie van het mens-zijn, volgens deze auteurs de ziel, hoe ook
voorgesteld, ligt dan ook niet meer in dit desintegrerende milieu
maar in de cyberspace, waar ‘het vlees’ de mens niet meer hindert
en de mens uit zijn ‘kooi’ is ontsnapt
[4] .
Uit
deze literatuur, en in mindere mate in de filmwereld, spreekt een
paradoxale houding tegenover de mens als cyborg: ongekende mogelijkheden
maar vervlakking; schijnbare vrijheid maar reële ‘Foucaultiaanse’
disciplinering; fascinatie met technologie maar disfunctie. Het veranderde
bewustzijn dat Laughlin (1996) als inherent aan de evolutie van de
cyborg ziet wordt hier inderdaad gerealiseerd in de personages van
dit genre, en hoewel Gibson geen van zijn personages een oordeel laat
vellen over de realiteit waarin zij leven lijkt deze toekomst weinig
aantrekkelijk.
Maar
misschien is het niet noodzakelijk om de imaginaire wereld van de
cyberpunk op te zoeken om het mogelijk effect van de penetratie van
de technologie in het menselijke lichaam te onderzoeken. Robert Wilson
(1995) licht door een introspectieve evaluatie van zijn gevoelens
ten opzichte van zijn eigen cyborg-lichaam een tip van de sluier op.
De schrijver van dit artikel draagt een bril, misschien één van de
mildste en heeft een knieprothese, een gevolg van een motorongeluk.
De bril, ingrijpend op het westen primaire zintuig van het zicht en
misschien één van de mildste protheses, heeft, ondanks zijn functionaliteit,
een erg ingrijpend karakter, niet alleen omdat het voortdurend wijst
op de ‘onvolmaaktheid’ van Wilsons eigen lichaam, maar ook omdat het
voortdurend herinnert aan een vroegere staat van lichamelijke puurheid.
Ook hier komt dus het natuur-technologie dualisme tot uiting, een
dualisme dat enkel versterkt wordt door de prothese, die, mede door
zijn onzichtbaarheid, de grens tussen deze voorheen onverenigbare
domeinen doorbreekt. Het is vanuit dit standpunt van dat Wilson zijn
gevoel van walging voor dit lichaamsvreemde object onderzoekt, waarbij
hij Sartre’s analyse van slijm als uitgangspunt neemt. Slijm roept
een hele reeks menselijke gevoelens van walging op en is dan ook gangbaar
als pejoratief adjectief, een lach, een handeling, een gevoel kan
slijmerig zijn. Sartre verwijst hier naar de grens tussen liquiditeit
en vastheid die door slijm wordt uitgemaakt, een thema dat verder
uitgewerkt wordt door Mary Douglas. ‘Dirt’ is volgens Douglas steeds
opgenomen in een systeem, maar neemt in dit systeem een onrechtmatige
plaats in, wat meteen haar betekenis uitmaakt. Slijm neemt een onnatuurlijke
plaats, want buiten de categorieën of gelijktijdig in meerder categorieën,
in de order der dingen in, en krijgt daarom een polluerend karakter
toegeschreven. Zo ook neemt in het lichaam doorgedrongen technologie
een onrechtmatige positie in voor wie het dualisme natuur-technologie
onderschrijft en wordt, althans door Wilson, met gevoelens van walging
beschreven. Echter niet alleen van walging, want hoewel de prothese
het lichaam onvolmaakt maakt, lost het ook een verlangen op, met name
het verlangen een functionerend lichaam te hebben. En roept het op
zijn beurt een ander verlangen op; het verlangen het lichaam te perfectioneren,
treffend uitgedrukt door Laughin als de evolutie van denken in termen
van ‘we can fix it with this widget’ naar ‘we can make it even better
with this widget’. Uiteindelijk ervaart Wilson zijn bewustzijn als
gespleten, verscheurd tussen de emoties van verlangen en walging,
een punt dat hij verder illustreert door de aard van penis-operaties
te bekijken, die reconstructief kunnen zijn maar ook ‘verbeterend’.
(Wilson, 1995)
Donna
Haraway pleit in The Cyborg Manifesto voor de cyborg, en ziet
er een krachtige metafoor in die in staat is de klassieke dualismen
met hun uitgesproken gender-perspectief te transcenderen.
[5] (Prins, 1995) De cyborg duikt hier, zo goed als voor het
eerst in deze uiteenzetting als positief op, misschien met uitzondering
van de gematigde erkenning van Laughlin (1996) van de mogelijkheden
van de, in zijn visie zeer reële, cyborg van de toekomst.
Maar
de negatieve gevoelens blijven algemeen, ook vanuit een gender-perspectief.
De populaire verbeelding van de cyborg zoals die in de film opduikt
benadrukt de bestaande (westerse) gender criteria: mannelijke cyborgs
zijn gevoelloos, sterk, weerspiegelen mannelijke kracht, terwijl vrouwelijke
cyborgs dienstdoen als seksspeeltje, vatbaar zijn voor pijn, en daar
waar ze als een belichaming van de vrouwelijke verlangens gerepresenteerd
worden (Eve of Destruction) worden ze op het einde van de film
vakkundig geëlimineerd, in dit geval zelfs door de vrouwelijke maker
ervan. (Holland 1995)
Ook
Balsamo (1995) onderzoekt de invloed van technologische ontwikkelingen
op het lichaam onder meer vanuit een genderperspectief. Meer bepaald
onderscheidt zij de ontwikkeling van vier postmoderne lichamen onder
deze invloed, meer bepaald ‘the marked body, the laboring body, the
repressed body en the disappearing body’.
The
marked body is het lichaam als cultureel teken, een lichaam dat onder
druk van de modeindustrie en de esthetische chirurgie bijzonder prominent
aanwezig is in de westerse samenleving, en identiteit tot teken reduceert
en vervolgens tot ‘commodity’ maakt. Vooral in de plastische chirurgie,
wordt het gender-karakter van de relatie technologie-lichaam bijzonder
duidelijk, waar doorgaans mannelijk artsen vrouwelijke lichamen ‘dissecteren,
uitrekken, snijden en reconstrueren volgens culturele en bij uitstek
ideologische standaarden van fysiek voorkomen’ (Balsamo 1995; 226,
eigen vertaling).
Het
‘laboring’ lichaam, het en dan voornamelijk reproductieve lichaam
bij uitstek, het moederlijke lichaam, is meer en meer, o.a. door nieuwe
reproductietechnieken een technisch lichaam. Het moederlijke lichaam
als de science fiction container. Niet alleen de ‘ontlichaamde’ reproductietechnieken
dragen hiertoe bij, ook de toenemende disciplinering van het moederlijke
lichaam door allerhande tests, onder meer drugtests met bijhorende
‘straffen’ voor een positief resultaat, zorgen voor deze transformatie.
Verder merkt Balsamo op dat de produktie van de essentiële onderdelen
noodzakelijk voor de informatierevolutie die zich in het westen afspeelt
(cf. infra) in de zogenaamde lage loonlanden, veelal door vrouwen,
worden vervaardigd, wat naast het voordeel van (relatieve) financiële
onafhankelijkheid, een negatieve impact heeft op dit producerend lichaam,
in de vorm van gezondheidsproblemen en seksuele intimidatie.
Het
‘verdwijnende’ lichaam is het lichaam dat in toenemende mate gepenetreerd
wordt door de technologie. Het lichaam dat verdwijnt is dus het biologische
lichaam, resulterend in de cyborg. Hier bevestigt Alsamo de eerdere
observaties, zij het aan de hand van meer werkelijke voorbeelden als
de presentatie van de mogelijkheden, dat de cyborg gerepresenteerd
wordt op een manier die gender-bevestigend werkt. [6]
3. Cyberspace
Cyberspace,
een term die voor het eerst voorkwam in de cyberpunk-trilogie van
William Gibson is volgens sommigen die plaats waar men zich bevindt
bij een telefoongesprek (Featherstone en Burrows 1995). Een andere
definitie die vaak wordt geciteerd is die van Gibson zelf: ‘Cyberspace.
A consensual hallucination experienced daily by billions […] in every
nation […] A graphic representation of data abstracted from every
computer in the human system. Unthinkable complexity.’ (Gibson, 1984:
p. 51) Het is deze definitie die de huidige vorm van internet en aanverwante
systemen het meest benadert. Het is bovendien onmogelijk internet
niet in een toekomstperspectief te zien: de nieuwe ontwikkelingen
volgen elkaar in zo een hoog tempo op dat elke nieuwigheid de belofte
van nieuwe mogelijkheden inhoudt. De specifieke bedoeling van internet
(cf. supra) staat aan de basis van een abstracte gedecentraliseerde
ruimte waarin de massieve transfers, die binnen afzienbare tijd veel
minder massief zullen lijken, van data zich afspelen. Tekst, afbeeldingen,
video en geluid zijn niet langer afhankelijk van fysische dragers.
Het transformationeel potentieel van deze nieuwe technologie wordt
misschien het duidelijkst door een analyse van de muziekindustrie.
Door invoering van nieuwe standaarden van datacompressie is het mogelijk
muziekfragmenten aan optimale kwaliteit op relatief korte periodes
zonder beperkingen, buiten dan de wettelijke, waar zich het probleem
van de afdwingbaarheid stelt, uit te wisselen, wat de traditionele
muziekindustrie in diepe crisis dompelt. Poster (1995) wijst ook op
de problematische verhouding tussen internet en staat. Eén van de
belangrijkste kenmerken van de cyberspace is immers interactiviteit,
wat de klassieke relatie enkelen-velen (het best belichaamd door de
klassieke massamedia radio en televisie) transformeert in een relatie
velen-velen. Het is dan ook niet toevallig dat de liberale waarde
van de vrijheid van meningsuiting als een hoeksteen van het internet
bevochten wordt, en zodra deze in het gedrang komt in deze cyberspace
uitermate fel bevochten wordt.
Het
is volgens Poster (1995) precies de cyberspace en haar essentieel
interactieve karakter die de mogelijkheid biedt tot de totstandkoming
van een postmoderne cultuur en de locus bij uitstek, het bijna-natuurlijk
habitat van het postmodern subject vormt. Het is in deze virtuele
ruimte dat de multipele, individuele identiteiten optimaal uitgespeeld
kunnen worden, doordat ze in zo een grote mate maakbaar zijn. Voor
Poster is het in de virtuele ruimte dat de ‘kleine narratieven’ van
Lyotard, gekenmerkt door de validatie van verschil, een ontsnappen
aan de logica van instrumentaliteit en een viering van het niet-representeerbare,
plaats kunnen vinden. Lyotards stelling dat informatietechnologieën
eerder neigen naar totalitaire controle wordt door Poster tegengesproken
op basis van een analyse van de concrete narratieven die zich in de
cyberspace afspelen.
De
relatie cyberspace-lichaam is problematisch. De belichaming van de
waarden die aan het internet worden toegeschreven zijn de ‘hackers’,
die overigens een grote gelijkenis vertonen met de ‘console-cowboys’
uit Gibson’s cyberpunk-romans. Hackers breken in de virtuele dataforten
in, met als voornaamste doel die delen van de cyberspace te betreden
die in principe ontoegankelijk zijn, waarbij criminele activiteiten,
datadiefstal, niet uitgesloten zijn, maar ook niet noodzakelijk. Zij
vormen een virtuele subcultuur, en zijn, vanuit een bepaald perspectief
bekeken, de lichaamsloze helden van de cyberspace. Maar wanneer deze
hackers uit hun virtuele habitat worden gehaald, en in ‘de werkelijke
wereld’, vaak via de media, terechtkomen blijken ze puistige, zwaarlijvige
tieners te zijn, met een verwaarloosd en door fast-food geteisterd
lichaam. [7] En alsdus worden ze doorgaans
ook gerepresenteerd in televisiereeksen en films (behalve daar waar
het narratief van de film in kwestie een viering van de hackerscultuur
beoogd, waar ze als aantrekkelijke welgebouwde jongeren worden voorgesteld).
Op deze manier wordt de dualistische visie die het internet omringt
bijzonder duidelijk. (Lupton 1995)
Ook
Balsamo behandeld deze ontlichaamde kijk op het internet, en meer
bepaald in één van de concrete verschijningsvormen ervan, de ruimte
van de Virtual Reality (VR), een omgeving waarin voor computergebruikers,
met behulp van technische middelen als ‘VR-brillen’ en drukpakken
een alternatieve driedimensionele werkelijkheid wordt geschapen, die
zich voortdurend aanpast aan de handelingen van de gebruiker. VR representeert
niet, vermits het geen vooraf bestaande werkelijkheid opnieuw oproept,
maar een geheel nieuwe werkelijkheid, zonder onderworpen te zijn aan
fysische wetten, schept.( Heim, 1995) Dit heeft tot gevolg dat het
materiële lichaam onderdrukt wordt. Als dusdanig houdt het beloftes
in dat dit lichaam (‘meat’ in termen van de cyberpunk auteurs) in
de virtuele ruimte geen rol meer zal spelen. De realiteit blijkt echter
anders, bijvoorbeeld wanneer men de concrete gedragingen in de virtuele
ruimtes zal bekijken. De mogelijkheid abstractie te maken van het
lichaam betekent volgens Balsamo niet dat men zonder lichaam deze
ruimte betreedt. De zelf-gekozen representatie van lichamen in de
virtuele ruimtes bevestigen het heersende gender-denken. En ook in
die vormen van virtuele ontmoetingsplaatsen waar interactie op tekst
en niet op beeld gebaseerd is blijken de interacties uiteindelijk
niet zo heel verschillend te zijn van deze die in ‘de echte wereld’
plaatsvinden. (Alsamo 1995; Stone 1995)
Robins
(1995) is eveneens minder enthousiast over de mogelijkheden die de
cyberspace op het vlak van ontlichamelijking biedt, zij het voornamelijk
vanuit de nuchtere vaststelling dat ook de meest fervente ‘cybernaut’
nog steeds een lichaam heeft (in aanvulling van de kritiek van Alsamo
dat ook de cybernaut nog steeds een lichaam is) dat elementaire behoeftes
heeft. Hiermee plaatst Robins deze hele discussie meteen in een heel
ander perspectief. De bespiegelingen over cyborgs en cyberspace hebben
een erg futuristisch karakter, zijn als het ware pogingen tot etnografieën
van de toekomst. Maar zoals Featherstone and Burrows (1995) met de
woorden van Berger opmerken: ‘history is seldom surprise free’ (p.1).
Bovendien kijkt men naar het heden (en de toekomst) met de ogen van
het verleden. (Clark, 1995). In de toekomstbespiegelingen uit de jaren
’60 komen geen computers voor. Bovendien worden al te optimistische
beschouwingen omtrent cyberspace voorlopig tegengesproken door een
aantal observaties; vrouwen vormen nog steeds een kleine minderheid
van de internetgebruikers; de populatie die actief gebruik maakt van
internet is nog steeds beperkt zowel in ruimte, waar vooral Afrika
en de voormalige Sovjetunie een blinde vlek vormen op kaarten die
internetgebruik representeren [8] als in sociale
geografie (de cursor: 1998). Bovendien brengt de anonimiteit bepaalde
nadelen met zich mee, lijkt de vrijheid van initiatief voornamelijk
te leiden tot een vervlakking van de aangeboden informatie, en is
het op dit moment niet duidelijk hoe sterk de greep van de overheid
op het internet zal kunnen wegen. Dit neemt echter niet weg dat een
technologie die op zo een korte tijd zo een enorme groei kent, en
die ver reikende sociale en culturele implicaties heeft voldoende
aandacht vanuit sociaal-wetenschappelijke hoek verdient.
Bibliografie
Kristula,
D. (1997) The History of the Internet. http://www.davesite.com/webstation/net-history.shtml
Laughlin,
C. (1996) The Evolution of Cyborg Consciousness. Essay voorgesteld
op CASCA meetings in St. Catherines, Ontario, in May, 1996.
Stone,
A.R. (1995) Sex and death among the disembodied: VR, cyberspace and
the nature of academic discourse. in Star, S. L. (ed) The Cultures
of Computing. Cambridhe: Blackwell Publishers. Pp 243-255.
En
de artikels uit:
Featherstone,
M. & Burrows, R. (1995) Cyberspace/Cyberbodies/Cyberpunk :
Cultures of Technological Embodiment London: Sage.
Inhoudstafel:
Cultures
of Technological Embodiment: An Introduction
door
Mike Featherstone, Roger Burrows
Feedback
and Cybernetics: Reimaging the Body in the Age of Cybernetics
door
David Tomas
The
Future Looms: Weaving Women and Cybernetics
door
Sadie Plant
The
Design of Virtual Reality
door
Michael Heim
Postmodern
Virtualities
door
Mark Poster
The
Embodied Computer/User
door
Deborah Lupton
Rear-View
Mirrorshades: The Recursive Generation of the Cyberbody
door
Nigel Clark
Cyberspace
and the World We Live In
door
Kevin Robins
Descartes
Goes to Hollywood: Mind, Body and Gender in Contemporary Cyborg Cinema
door
Samantha Holland
Prosthetic
Memory: Total Recall and Blade Runner
door
Alison Landsberg
Meat
(or How to Kill Oedipus in Cyberspace)
door
Nick Land
Beating
the Meat/Surviving the Text, or How to Get Out of This Century Alive
door
Vivian Sobchack
Forms
of Technological Embodiment: Reading the Body in Contemporary Culture
door
Anne Balsamo
Cyber(body)parts:
Prosthetic Consciousness
door
Robert Rawdon Wilson
Corpses,
Animals, Machines and Mannequins: The Body and Cyberpunk
door
Kevin McCarron
[1] Een theorie die de relaties tussen
de hersenen, het bewustzijn, cultuur en de cosmos bekijkt. Laughlin
beschouwt cultuur en bewustzijn als functies van het zenuwstelsel;
zonder zenuwstelsel zijn bewustzijn, en cultuur als de sociale conditionering
van menselijk bewustzijn en gedrag, niet mogelijk.
[2] Hoewel ‘het Amerikaanse leger’ de locus
bij uitstek is om dergelijke geruchten een aura van factualiteit toe
te kennen kan is dit voorbeeld minstens theoretisch geldig.
[3] In het vervolg van deze uiteenzetting
zal cyborg ruimer worden opgevat als indringing van de technologie
in zowel het persoonlijke als het sociale lichaam, zodat ook ‘androïden’
als cyborg zullen worden behandeld.
[4] Ironisch genoeg blijkt deze ontlichaamde
mens nood te hebben aan een fysieke representatie van een lichaam
om in de cyberspace te functioneren. Maar het is hier een lichaam,
geen eigen lichaam.
[5] Aangezien de literatuur die ter beschikking
stond geen verdere conclusies dan deze te algemene veronderstelling
zal op Haraway’s visie niet verder worden ingegaan.
[6] ‘The repressed body’ zal zo dadelijk
aan bod komen.
[7] Een idee die niet alleen de hackers,
maar ook de ‘computernerd’ representeert, met als typisch voorbeeld
Bill Gates.
[8] Een voorbeeld is te vinden op http://www.cybergeography.org/atlas/mids_matrworld9701_large.jpg