Migrantenstemrecht
in België - Groepsrechten en de natiestaat
Inleiding
Dit werk gaat in wezen over het toekennen van stemrecht
aan vreemdelingen. Hoewel er heel wat zijsprongen zullen worden gemaakt
moet het dus voornamelijk worden gelezen met dit in het achterhoofd.
In het eerste hoofdstuk zal de verdediging van groepsrechten
zoals Will Kymlicka die heeft opgesteld aan bod komen. Hij probeert
om twee schijnbare tegenstellingen, groepsrechten en de liberale politieke
filosofie, met elkaar te verzoenen. De vraag die hier centraal staat
is of het toekennen van stemrecht aan migranten kan, of dit
binnen het Belgische politieke bestel verantwoord kan worden. België
is immers een liberale rechtstaat. Migrantenstemrecht kan m.i. worden
beschouwd als een groepsrecht. Niet omdat migranten een homogene groep
zouden vormen, maar omdat groepsgedifferentieerde rechten een manier
zijn om om te gaan met de multiculturele situatie, met verschil. Omdat
Kymlickas theorie pas in zijn totaliteit een coherente verdediging
van groepsrechten vormt zal hier uitgebreid op in worden gegaan.
In het tweede hoofdstuk wordt het blikveld verlegd
naar België. Allereerst zal er worden ingegaan op de context waarin
het debat over stemrecht voor vreemdelingen in de pers, in de politiek
en bij de bredere lagen van de bevolking naar voren komt. Het migrantendiscours
blijkt niet in een ideologisch vacuüm te worden gevoerd. Daarom is
het belangrijk stil te staan bij de aard van dit debat, zodat bepaalde
voor- en tegenargumenten in een ander perspectief kunnen worden geplaatst.
Ten
slotte zullen de politieke rechten van migranten worden bekeken en
zal er worden nagegaan of vanuit de concrete Belgische politieke
situatie een (nieuwe) verruiming van het stemrecht te verantwoorden
valt. Utilitaire argumenten zullen hier niet aan bod komen. Of en
welke gevolgen de toekenning van volledige politieke rechten aan vreemdelingen
zou hebben op maatschappelijk vlak kan moeilijk ingeschat worden,
en de frequente verwijzingen naar de ervaringen in het buitenland
zijn misschien een beetje overhaast. Wat wel wordt geprobeerd is een
basis te vinden om de toekenning van stemrecht aan personen die de
Belgische nationaliteit niet hebben op te funderen.
Kymlicka
In dit hoofdstuk zal de visie van Will Kymlicka op
het multicultureel burgerschap, zoals hij die uiteenzet in Multicultural
Citizenship. A Liberal Theory of Minority Rights (1995) aan bod komen.
In de wereld van vandaag komt migratie op grote schaal
voor. Door de eeuwen heen heeft expansie, kolonisatie en, algemeen,
de incorporatie van andere bevolkingsgroepen diepe sporen achtergelaten
op de hedendaagse politieke, sociale en culturele landkaarten. Diversiteit
is een algemeen en alomtegenwoordig gegeven geworden. Het overheersende
politieke model van de staat is hier in haar denken amper aan aangepast.
De Westerse politieke traditie heeft deze diversiteit lang genegeerd,
uitgaand van het ideaalbeeld van de Griekse Polis dat een sterke nadruk
legde op homogeniteit. Wanneer de historische ontwikkeling van omgaan
met verschillen wordt gereconstrueerd valt het op dat aanvankelijk
werd geprobeerd dit ideaal waar te maken, hetzij door fysieke eliminatie,
hetzij door (gedwongen) assimilatie, hetzij door segregatie en discriminatie.
In het begin van de twintigste eeuw bestonden de enige
beschermingsmaatregelen voor minderheden uit bilaterale akkoorden.
Deze hadden als grote nadelen dat een minderheid enkel bescherming
genoot wanneer er een thuisland bij hun lot betrokken
was. Bovendien bleken dergelijke akkoorden soms een voorwendsel om
zwakkere staten binnen te vallen.
Na WO II ging de heersende filosofie ervan uit dat
de belangen van minderheden voldoende veilig te stellen waren met
het politieke instrument van de individuele mensenrechten. Deze opvatting
is een voortzetting van de filosofie van de scheiding tussen Kerk
en staat, die de standen had doen verdwijnen. En nieuwe scheiding,
die tussen etniciteit en staat, zou de verschillen die bestonden tussen
etnische meerderheden en minderheden doen vervagen. Een uitzondering
op dit algemeen beleid vormden de zogenaamde affirmatieve maatregelen,
positieve discriminatie bedoeld om al te grove verschillen weg te
werken. Een nadeel van dergelijke maatregelen is dat zij de groepsverschillen
benadrukken en ze steeds als tijdelijk worden opgevat. De idee van
permanente groepsrechten kreeg op dat moment nog geen bijval.
Het is pas recent dat deze idee is opgenomen, voornamelijk
omdat de mensenrechten niet in staat zijn gebleken minderheden adequaat
te beschermen. Maar ook hier schuilt weer een gevaar; permanente groepsrechten
kunnen worden misbruikt. Het Nazi-regime in Duitsland en het Apartheidsregime
van Zuid-Afrika hebben dit op een zeer treurige wijze aangetoond.
Kymlicka probeert een liberale theorie van minderheidsrechten
op te stellen, die moet uitleggen hoe deze kunnen bestaan naast de
individuele rechten. Hij vraagt zich eveneens af of en welke grenzen
er zijn aan deze groepsrechten en wat dit alles voor gevolgen heeft
voor het concept van het multicultureel burgerschap.
Omdat
multiculturalisme een brede term is, die vaak op verschillende manieren
wordt ingevuld, is het belangrijk duidelijk te omschrijven wat de
schrijver onder multiculturalisme en groepsrechten verstaat.
Vaak wordt ook het bestaan van zogenaamde sub-culturen,
waarmee dan de culturele eigenheid van bijvoorbeeld vrouwen, homoseksuelen,
jongeren enzovoort wordt bedoeld, onder multiculturaliteit verstaan.
Kymlicka volgt echter een engere definitie, en verstaat er de culturele
diversiteit binnen één staat onder.
Vervolgens onderscheid hij twee brede patronen van
diversiteit; deze veroorzaakt door nationale minderheden en deze die
tot stand kwam na een immigratieproces. Deze twee patronen moeten
gezien worden als polen op een continuüm zodat ook mengvormen (zoals
de situatie van Afro-Amerikanen in de Verenigde Staten) kunnen worden
erkend. Verder spreekt het vanzelf dat beide patronen ook gelijktijdig
kunnen voorkomen.
Deze tweedeling maakt ook de noodzaak aan een ander
onderscheid duidelijk; deze tussen multi-natie staten en poly-etnische
staten.
Multi-natie
staten zijn staten die verschillende naties incorporeren, waarbij
naties historische gemeenschappen zijn, territoriaal verenigd en institutioneel
min of meer compleet. Bovendien delen ze een zelfde cultuur. Inwoners
van multi-natie staten kunnen zichzelf, over culturele grenzen heen,
zien als één volk. Dit neemt niet weg dat het multi-natie staten blijven,
patriotisme kan worden onderscheiden van nationale identiteit.
[2]
Polyetnische staten zijn staten waar de diversiteit
vooral aan immigratie is te wijten. De minderheden in dergelijke staten
vormen dan geen natie.
Een ander verschil dat essentieel is binnen de liberale
politieke filosofie is dat tussen burgerlijke, civiele staten en etnische
staten. Bij de eerste hangt het lidmaatschap af van het accepteren
van de politieke principes van democratie en rechten en niet, zoals
bij de tweede, van afstamming. [3]
Wat betreft collectieve rechten, die te onderscheiden
zijn van individuele rechten, kan men drie grote categorieën onderscheiden;
zelfbeschikkingsrechten, polyetnische rechten en speciale representatierechten. [4]
Zelf-beschikkingsrechten
vind men voornamelijk terug in verband met nationale minderheden en
het gaat om (politieke) autonomie of een zekere graad van territoriale
jurisdictionele bevoegdheid. Deze vorm van groepsgebonden rechten
zijn beperkt erkend in het internationale recht, met name in het Internationaal
Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten dat het recht
op zelf-determinatie voor alle volkeren garandeert. Wat er precies
onder volkeren wordt verstaan wordt niet precies bepaald, zodat hieromtrent
heel wat vaagheden bestaan. Dit recht kan voornamelijk opgeëist worden
via federalisering, via een systeem van gereserveerde landen (reservaten)
en via een speciaal gecreëerde politieke eenheid gecontroleerd door
de minderheid.
Poly-etnische rechten worden als maatregel voornamelijk
gebruikt in poly-etnische staten. Aanvankelijk beperkte de eis van
immigrantenminderheden zich tot de mogelijkheid de eigen culturele
particulariteit te kunnen uitdrukken zonder gevaar voor discriminatie
of voordelen. Later breidde deze eis zich op drie vlakken uit naar
de vraag naar positieve maatregelen om discriminatie en voordelen
uit te roeien, naar politieke fondsen voor eigen culturele praktijken
en naar uitzonderingen op rechtsregels die deze minderheden systematisch
benadelen, bijvoorbeeld met betrekking tot religieuze praktijken..De
bedoeling van dit alles is het verzekeren van de culturele particulariteit,
zonder nadelige gevolgen voor het individu.
Groepsrechten zorgen voor een waar schisma binnen de
politieke filosofie tussen enerzijds de liberalen of individualisten
en anderzijds de collectivisten of communitaristen, waarbij de liberale
traditie voornamelijk steunt de principes van neutraliteit en ongedifferentieerdheid
binnen het staatsbestel en de nadruk op het individu legt terwijl
de collectivistische stroming de collectieve identiteit erkend als
een bron voor gegronde eisen. Kymlicka tracht deze impasse te overstijgen
door binnen het liberale gedachtengoed de validiteit voor groepsrechten
aan te tonen. Wanneer men het ontstaan van het liberalisme in zijn
historische context plaats -zoals gezegd is het liberalisme gegroeid
vanuit weerstand tegen de feodale regel politieke rechten toe te kennen
op basis van groepslidmaatschap- wordt echter duidelijk dat Kymlickas
streven niet vanzelfsprekend is.
Kymlicka maakt een voor zijn theorie erg belangrijk
onderscheid tussen twee soorten eisen die minderheden mogelijk stellen.
Ten eerste kunnen minderheden vragen om maatregelen die hen in staat
moeten stellen interne meningsverschillen zonder tussenkomst van de
meerderheidsgroep te regelen. Het gaat hier dan om de mogelijkheid
interne restricties aan de eigen leden op te leggen, zodat leden van
de groep bij de staat om hulp kunnen vragen om de vrijheid van de
leden te beperken. Een tweede categorie binnen de mogelijke eisen
zijn deze tegenover de ruimere samenleving, en deze staan in verband
met externe beslissingen die de minderheid beïnvloeden.
Terwijl alle drie de eerder genoemde types groepsgebonden
rechten instrumenten voor externe bescherming kunnen zijn, zijn het
voornamelijk zelf-beschikkingsrechten en polyetnische rechten die
kunnen worden gebruikt voor interne restricties.
Het onderscheid dat Kymlicka hier maakt is van primordiaal
belang voor zijn theorie. Het toont immers aan dat de kritiek dat
groepsrechten het belang van de groep altijd laten primeren op individuele
belangen niet gegrond is. Het is alleen bij interne restricties dat
deze kritiek geldig is. Bovendien hangt dit ook samen met een laatste
probleem dat inherent is aan de liberale beschouwingen over groepsrechten,
het suggereren van een valse dichotomie met individuele rechten. Dit
zijn niet noodzakelijk twee polen van eenzelfde continuüm; vele groepsrechten
worden gebruikt door individuen. De centrale vraag die moet gesteld
worden is dus of groepsrechten noodzakelijk zijn voor het realiseren
van gelijkheid en rechtvaardigheid tussen leden van verschillende
groepen.
Kymlicka focust op societal cultures waarmee
hij culturen bedoelt die zijn leden voorziet van een betekenisvolle
manier van leven, en dit op sociaal, opvoedkundig, religieus en economisch
vlak, zodat het niet alleen gaat om gedeelde herinneringen en waarden,
maar ook om alledaagse zaken. Ook wat betreft het behoud of de recreatie [5] van de societal culture is de situatie
duidelijk verschillend voor nationale minderheden vergeleken met migranten.
Nationale minderheden hebben minder moeite hun eisen als gegrond te
doen aanvaarden en bereiken dan ook vaker resultaten. Migranten hebben
het veel moeilijker om vragen om zelfbestuur in concrete verwezenlijkingen
om te zetten, ook omdat de legitimiteit van een dergelijk verregaande
eis minder vanzelfsprekend is.
Kymlicka
acht het bestaan van een societal culture als een noodzakelijke
voorwaarde voor het realiseren van de liberale notie van vrijheid
voor elk individu. Vrijheid staat de mens toe een eigen voorstelling
van een goed leven na te streven en om over deze opvatting
te reflecteren, en ze eventueel aan te passen. Dat mensen in staat
zijn vergissingen te maken pleit niet voor paternalisme, maar is integendeel
een argument voor deze opvatting. Het concept vrijheid valt dus uiteen
in twee essentiële elementen, keuzevrijheid en vrijheid om over de
gemaakte keuzes na te denken. [6]
Kymlicka is van oordeel dat om deze vrijheid te realiseren
het bestaan van een societal culture onontbeerlijk is.
Deze cultures zorgen immers voor de verschillende opties
waartussen het individu kan kiezen in zijn zoektocht naar het
goede leven. Ze zijn dus een noodzakelijke voorwaarde om de
liberale vrijheid te realiseren. Deze band roept een grote vraag op:
moet er een eigen societal culture zijn of is het
bestaan van een cultuur [7] voldoende?
Dit is een zeer belangrijke vraag. Wanneer men niet
gebonden is aan de eigen cultuur maar enkel nood heeft aan een societal
culture kan men stellen dat de voorwaarden voor de liberale
vrijheid aanwezig zijn wanneer men de societal culture
van de meerderheidsgroep toegankelijk maakt voor de minderheid. Maatregelen
voor het behouden van de minderheidscultuur zijn dan niet nodig. Deze
visie wordt voorgestaan door een aantal theoretici die in globalizerende
tendensen het duidelijke bewijs zien dat men niet gebonden is aan
een eigen cultuur maar dat, integendeel, vele mensen leven in een
kaleidoscoop van culturen (Waldron: geciteerd in Kymlicka:1995).
Kymlicka is het hier niet mee eens. Volgens hem zijn de voorbeelden
van mensen die vrij bewegen tussen verschillende culturen eerder schaars
en zijn er steeds kosten mee verbonden. [8] Deze kosten variëren
naarmate de inschakeling in de meerderheidscultuur moeilijker of makkelijker
wordt gerealiseerd. Maar zelfs wanneer de kosten laag zijn kan niet
worden verlangd dat iemand deze kosten betaalt, tenzij daar vrijwillig
voor wordt gekozen. Kymlicka vergelijkt het proces van assimilatie
met een eed van armoede. Ook al blijkt het mogelijk om zonder comfort
en zonder enige vorm van luxe te leven, toch betekent dit niet dat
men kan verwachten dat iedereen deze eed zal opnemen. Verder dient
te worden opgemerkt dat ook mensen die een liberale cultuur delen
ook sterk aan deze cultuur gebonden zijn. Ook al zorgt een geliberaliseerde
cultuur voor een dunnere opvatting hieromtrent, toch zijn het enkel
de waardepatronen die worden aangeboden die meer divers zijn, maar
de basiswaarden blijven gedeeld.
[9]
De reden waarom de band tussen mensen en hun
cultuur zo sterk is heeft twee verklaringen. Ten eerste omdat cultuur
de keuzemogelijkheden verschaft waarop de liberale vrijheid steunt.
En ten tweede omdat cultuur een rol speelt in de self-identity
van de mens. Cultuur verschaft meerwaarde aan acties, door ze in te
schakelen in het ruimer perspectief van creatie en recreatie, cultuur
vergemakkelijkt de deelname aan het openbare leven door de instellingen
[10] transparant te maken (Tamir, geciteerd in Kymlicka:
1995, p.90), en door het faciliteren van relaties van wederzijds
vertrouwen en solidariteit (Miller, Barry, geciteerd in Kymlicka:
1995). Bovendien kan er worden gewezen op het gevaar voor intergenerationele
problemen wanneer ouders er niet in slagen hun cultuur aan hun kinderen
over te dragen (Nickel, geciteerd in Kymlicka: 1995) en slaagt nationale
identiteit er in de eigen mortaliteit te doen overstijgen (Anderson
geciteerd in Kymlicka: 1995).
De intieme band tussen mens en eigen cultuur
blijkt dus een feit. Maar ze roept wel twee bijkomende vragen op:
moet men immigranten de mogelijkheid geven de eigen societal
culture in het gastland te reconstrueren en wat moet men aan
met een cultuur die zo georganiseerd is dat ze de individuele keuze
uitsluit?
Wat betreft de eerste vraag is Kymlicka erg duidelijk.
Alhoewel er geen bezwaren zijn tegen die aanpak, is het ook verantwoordbaar
dit niet te doen. In dit verband wordt vaak een parallel getrokken
met kolonisatie. Want daar hebben immigranten wel hun
eigen societal culture in het nieuwe land ingeplant.
[11] De achterliggende ideologie is evenwel verschillend
van wat vandaag de dag onder immigratie wordt verstaan. Kolonisatie
was een geplande poging in een nieuw gebied de societal culture
over te planten. Migratie is een meer persoonlijk, familiaal en minder
gestuurd proces. Migratie gebeurt op vijwillige basis
[12] en om deze reden verliezen migranten het recht op
reconstructie van de eigen societal culture. Dit wil niet
zeggen dat migranten geen recht hebben op een bepaalde vorm van culturele
eigenheid. Dit komt echter later nog aan bod.
De laatste vraag die Kymlicka zich stelt is wat men
aan moet met societal cultures die de vrije keuze uitsluiten,
vanuit de liberale theorie die hij probeert te formuleren wel te verstaan.
Het gaat hier dus om illiberale culturen, hoewel dit eigenlijk geen
accurate beschrijving is omdat alle culturen zich ergens op een schaal
met als polen volledig geliberaliseerd-illeberaal bevinden. Bovendien
getuigt de opvatting dat volledige culturen illeberaal zijn van etnocentrisme
en weinig zin voor historiciteit. De taak van de liberaal beperkt
zich in deze kwestie dan ook tot het aanmoedigen tot liberalisering,
maar de vaststelling dat mensen een diepe band kennen met hun societal
culture sluit de mogelijkheid tot een opgelegde liberalisering
uit. Ook op de kwestie van de grenzen van tolerantie wordt later nog
teruggekomen.
Het
argument dat de mens intens verbonden is met zijn eigen cultuur alleen
is nog niet voldoende om groepsrechten te kunnen legitimeren. Men
kan immers argumenteren dat ook op dit vlak een soort van vrij
markt-mechanisme werkzaam is. Gezien de vrije keuze kan iedereen
kiezen welke cultuur hij de zijne noemt. Culturen die niet zouden
overleven zonder externe steun hebben dus simpelweg te weinig aanhangers
en het behouden van deze cultuur zou dan overbodig zijn. Maar deze
zienswijze is niet correct. Doordat in een multiculturele situatie
door de overheid beslissingen in verband met taal, staatssymbolen
enzovoort worden genomen, en omdat ook deze beslissingen genomen worden
vanuit een bepaalde culturele logica, zijn minderheden structureel
benadeeld. Kymlicka toont aan hoe taalpolitiek, beslissingen in
verband met officiële vakantiedagen en kledij in belangrijke mate
cultureel gekleurd zijn. Hoewel veel van dit soort beslissingen een
aura van culturele neutraliteit hebben verworven benadelen zij toch
systematisch leden van andere societal cultures. Voorstanders
van een complete scheiding tussen staat en etniciteit zien dit vaak
over het hoofd. Een volledige scheiding tussen staat en etniciteit
is onmogelijk, precies door het bestaan van een multiculturele situatie,
en door het feit dat de verschillende culturen die deze situatie constitueren
zelden of nooit een gelijke verdeling kennen over de bevolking van
een staat. [13]
Kymlicka onderscheidt drie soorten argumenten die het
bestaan van groepsrechten in een liberale omgeving verdedigen, namelijk
het argument van gelijkheid, historisch overeenkomsten en de waarde
van diversiteit. Al deze argumenten pleiten voornamelijk voor zelfbeschikkingsrechten
en poly-etnische rechten.
De
basisgedachte die voor liberalen groepsrechten rechtvaardigt is dat
door verschillen te accomoderen gelijkheid wordt gecreëerd, op een
manier die individuele rechten niet vermogen. Het feit dat individuele
rechten alleen hiervoor niet voldoende zijn steunt juist op het feit
dat minderheden minder sterk staan dan de meerderheid, en dat zij
gevaar lopen niet gehoord te worden. Dit houdt ook een inherente beperking
in: groepsrechten zijn slechts gerechtvaardigd voor zover ze nodig
zijn om gelijkheid te bekomen.
[14]
Ten tweede spelen ook historische overeenkomsten een
rol in de huidige discussies voor omtrent groepsrechten. Deze raken
soms een nog dieper probleem aan dan het argument van gelijkheid.
Dit argument voorziet immers dat het de taak is van het statelijke
bestuur om zijn burgers gelijk te behandelen. Akkoorden uit het verleden
bepalen soms de voorwaarden waaronder staten dit leiderschap over
bepaalde minderheden verwierven. In vraag stellen van deze akkoorden,
waarin vaak één of andere vorm van groepsrechten werden toegekend,
problematiseert dan ook dit leiderschap zelf.
De
incorporatie van minderheden in een grotere staatsstructuur geeft
dus vaak aanleiding tot het formuleren van groepsrechten. Gebeurde
deze opname vrijwillig dan zijn deze rechten vaak neergeschreven in
akkoorden, gebeurde dit onvrijwillig dan geeft meer recente internationale
regelgeving nationale minderheden [15] de nodige
argumenten om een nieuw akkoord te negotiëren, zodat de incorporatie
alsnog vrijwillig gebeurt.
Een verdediging van groepsrechten voor minderheden
kan niet alleen op dit argument steunen vanwege het vaak historische
karakter ervan. Dit maakt dergelijke overeenkomsten vaak moeilijk
t interpreteren. Bovendien zijn de omstandigheden vaak zo verandert
dat het voorzien van uitzonderingen voor minderheden niet meer nodig
is om gelijkheid te garanderen, of wilt één van de betrokken partijen
het akkoord herschrijven. Dit historische argument kan dan ook enkel
samen met het gelijkheidsargument worden gebruikt.
Sommigen wijzen, ten derde, op de intrinsieke waarde
van interculturele diversiteit. Die diversiteit zou de wereld interessanter
maken en er is het feit dat andere culturen andere manieren van omgaan
met de wereld hebben die belangrijk kunnen zijn bij wijzigende omstandigheden. [16]
Hoewel dit argument populair is omdat het niet enkel
wijst op de voordelen voor de betrokken minderheden, maar ook het
goed van de ruimere samenleving beoogt, is het niet voldoende om binnen
de liberale theorie groepsrechten te verantwoorden. Culturele diversiteit
kan immers ook op andere manieren tot stand komen, bijvoorbeeld door
immigratie aan te moedigen. Verder brengt het voor de meerderheid
vaak kosten mee die hoger liggen dan de baten die het diezelfde meerderheidsgroep
oplevert. Diversiteit wordt ook geacht meerdere keuzemogelijkheden
aan het individu aan te bieden, wat belangrijk is met het oog op het
vergroten van de liberale vrijheid. Ook hier geldt dat de keuzemogelijkheden
die worden vergroot door het beschermen van minderheidsculturen vaak
minder groot zijn dan de beperking van deze mogelijkheden die groepsrechten
met zich meebrengen.
[17] En een laatste probleem dat dit argument met zich
meebrengt is dat het er niet in slaagt uit te leggen waarom minderheden
ook het recht hebben hun cultuur niet te behouden, waarom met andere
woorden interne restricties niet gerechtvaardigd zijn. Wanneer men
de ruimere bevolking in zijn vrijheid beperkt om de culturele diversiteit
te bewaren (externe restrictie) kan met hetzelfde argument ook de
vrijheid van de minderheidsgroepen (interne restrictie) beperken.
Het diversiteits-argument kan dan ook niet op zichzelf
het bestaan van groepsrechten verantwoorden en moet dan ook worden
bekeken als supplementair aan de vorige verantwoordingen.
Speciale representatierechten
[18] volgen een andere logica dan de andere twee types
van groepsrechten. Ze spitsen zich specifiek toe op politieke rechten
en vinden hun rechtvaardiging in de vaststelling dat bepaalde groepen
ondervertegenwoordigd zijn op bestuurlijk niveau. Hier moet dadelijk
worden opgemerkt dat dit geen lot is dat alleen minderheden treft.
Uit een opsomming van Young (geciteerd in Kymlicka P145) blijkt dat
het overgrote deel van de Amerikaanse bevolking ondervertegenwoordigd
is. Het gaat hier meer bepaald om vrouwen, zwarten, Chicanos, Puerto-Ricanen,
homoseksuelen, minder-bedeelden... kortom iedereen behalve [...]
relatively well-off, relatively young, able-bodied heterosexual white
males (Kymlicka 145). Op de specifieke problemen die dit gegeven
met zich meebrengt wordt zo dadelijk nog terug gekomen.
Eerst dient immers nog worden aangetoond dat speciale
representatierechten niet strijdig zijn met de liberale waarden. Enerzijds
ligt het in de lijn van bepaalde gebruiken bij het electoraal proces,
zoals bijvoorbeeld het hertekenen van grenzen van kiesdistricten,
anderzijds vormt het een uitdaging voor bepaalde traditionele noties
van representatie.
In
de Verenigde Staten zijn zo grenzen van kiesdistricten hertekend,
teneinde meer overeenkomsten te vertonen met bepaalde communities
of interest (Kymlicka P135). Deze wijzigingen gingen vaak gepaard
met heel wat controverse, vooral daar waar ze een duidelijk ras-gevoelige
bedoeling hadden. Deze praktijk, die ook in andere landen gangbaar
is
[19] , toont duidelijk aan dat men niet uitsluitend uitgaat
van het algemene principe van één burger, één stem. Er blijkt dus
al een bepaalde vorm van groepsrepresentatie gebruikt te worden.
[20]
De idee dat bepaalde bevolkingsgroepen ondervertegenwoordigd
zijn is wijd verspreid. Maar wat betekent deze vertegenwoordiging
precies? De verkozenen hebben immers brede electorale steun genoten,
waarin ook minderheidsgroepen vertegenwoordigd zijn. Stellen dat deze
groepen toch niet vertegenwoordigd worden door de persoon die zij
mee hebben helpen verkiezen lijkt dus van een bepaald idee van representatie
uit te gaan; dat van de spiegelbeeld-representatie.
[21] Twee vooronderstellingen liggen hieraan ten grondslag.
Ten eerste de gedachte dat om zich iemands noden te kunnen voorstellen
men ook een deel van diens ervaringen moet delen. Een blanke kan dan
onmogelijk een Afro-Amerikaan vertegenwoordigen omdat hij zich niet
kan inleven in diens situatie, ook al is er hieromtrent goede wil
aanwezig.. Ten tweede kan men veronderstellen dat zelfs de wil dit
te doen niet altijd aanwezig is. Maar deze idee stelt onoverkomelijke
problemen. De beste vertegenwoordigingsvorm lijkt dan een bij toeval
getrokken representatieve steekproef te zijn, Bovendien kan dit een
self-fulfilling prophecy blijken: de twijfel aan de mogelijkheid
op te komen voor de belangen van de Andere kan een excuus worden dit
niet eens te proberen. Het gevaar voor een eindeloze fragmentatie,
elke groep bestaat immers uit sub-groepen, lijkt ten slotte elke idee
van representatie onmogelijk te maken.
Toch neemt dit niet weg dat speciale representatierechten
verdedigd kunnen worden. Historische ontwikkelingen zijn vaak van
die aard geweest dat sommige groepen systematisch beperkt werden in
het uitoefenen van politieke rechten. Deze ontwikkelingen kunnen tot
op de dag van vandaag doorwerken, ook al zijn de beperkingen opgeheven.
Groepsrechten kunnen dan worden bekeken als een middel om ervoor te
zorgen dat deze negatieve gevolgen snelle te niet worden gedaan. Een
tijdelijk middel dus, dat kan worden gebruikt tot iedere groep, zonder
staatsinmenging, een gelijke kans heeft de eigen specifieke belangen
op de politieke agenda te plaatsen. [22]
Een heel andere verantwoording voor speciale representatie
die rechtstreeks in verband staat met zelfbeschikkingsrechten is al
eerder aan bod gekomen. Om deze rechten in absolute zin te garanderen
is een bijzondere vertegenwoordiging in die legislatieve of bestuurlijke
organen die bevoegdheid hebben over de modaliteiten van de zelf-beschikking
zeker te verantwoorden.
Besluitend kan worden gesteld dat speciale representatierechten
niet strijdig zijn met de liberale principes en dat er een aantal
goede argumenten zijn om te pleiten voor dit soort rechten. Dat ze
ten dele reeds worden toegepast toont aan dat zij een werkbare aanvulling
kunnen vormen voor de democratische organen van een liberale staat.
Tot
nu toe is voornamelijk geargumenteerd dat het concept van groepsrechten
conform is met de algemene liberale principes. Dit wil niet zeggen
dat alle eisen van minderheden aanvaardbaar zijn; tolerantie heeft
voor Kymlicka zijn grenzen.
Tolerantie wordt vaak gezien als één van de wezenskenmerken
van het liberalisme, voornamelijk omdat het liberale gedachtengoed
is gegroeid vanuit een verzet tegen religieus rigorisme. De scheiding
tussen Kerk en Staat steunt precies op godsdienstvrijheid. Het is
belangrijk op te merken dat deze religieuze tolerantie een specifieke
ontwikkeling heeft gekend. Religie is in het persoonlijke domein terecht
gekomen, en de vrije godsdienstkeuze staat expliciet vermeld in de
Universele verklaring van de rechten van de mens. [23] Het zogenaamde millet system, dat ervoor
zorgde dat in het Ottomaanse Rijk Joden, Moslims en Christenen naast
elkaar hun geloof konden belijden, en dat vaak wordt aangehaald als
een voorbeeld van religieuze tolerantie, is dus geen liberaal systeem,
omdat het verregaande restricties binnen de eigen religieuze groep
niet uitsloot. Tolerantie als liberaal begrip is dus intrinsiek verbonden
met individuele autonomie en persoonlijke keuzevrijheid. Liberalisme
kan daarom, algemeen gesteld, geen voorstander zijn van interne restrictieve
eisen. De houding tegenover bestaande niet-liberale regimes is nog
problematischer.
Op Kymlickas nadruk op individuele autonomie
is heel wat kritiek gekomen.
[24] Kymlicka beantwoordt deze kritiek door
te wijzen op het feit dat hier twee verschillende vragen worden gesteld.
Een eerste vraag betreft welke soorten minderheidseisen consistent
zijn met de liberale principes. Een tweede, en hier los van staande,
vraag is of liberalen hun ideeën moeten opleggen aan minderheden die
deze principes niet accepteren. Wat de eerste vraag betreft, en hij
merkt op dat het deze vraag is die zijn theorie probeert te beantwoorden,
is Kymlicka van oordeel dat groepsrechten die de burgerlijke rechten
van groepsleden beperken niet overeenkomstig de liberale principes
van vrijheid en gelijkheid zijn.
De tweede vraag is minder eenduidig te beantwoorden.
De idee dat het gerechtvaardigd is de liberale principes op te leggen
met behulp van geweld, en die lang aanvaard waren binnen het liberalisme,
wijst Kymlicka radicaal van de hand. Dit geldt dan zowel voor niet-liberale
natie-staten (zoals Saoedi-Arabië) als voor niet-liberale minderheden
die beschikken over zelf-beschikking. Tegenover niet-gewelddadige
hervormingsdruk staat Kymlicka minder negatief. Maar de scheidslijn
tussen aansporing en niet-aanvaardbare vormen van dwang is dun.
[25] Wat migranten betreft tenslotte is Kymlicka duidelijker,
door het eerder besproken vrijwillige karakter van migratie valt het
te verantwoorden dat aan deze categorie minderheden liberale principes
worden opgelegd. [26]
Een laatste probleem dat het toekennen van één of andere
vorm van groepsrechten volgens sommige liberalen met zich meebrengt
is dat het ondergravend kan zijn voor een gedeelde burgerlijke identiteit.
De burgerlijk-liberale staat vereist een zeker gevoel van solidariteit.
Groepsrechten zouden deze solidariteit in de weg staan.
Wat betreft speciale representatierechten is deze veronderstelling
op zijn minst voorbarig. Deze groepsrechten beantwoorden immers om
een vraag om inclusie, om politiek burgerschap. De basisimpuls
die aan de grondslag ligt van representatierechten is er één van integratie,
en niet van separatie. [27]
De
meeste polyetnische groepseisen hebben eenzelfde doel. Volgens Kymlicka
zijn die eisen die duidelijk vragen om een afscheiding, bijvoorbeeld
om niet te hoeven deelnemen aan het officiële onderwijs, ofwel voornamelijk
afkomstig van religieuze sektes, ofwel a-typische eisen. Ook hier
is dus algemene onderliggende filosofie er één van inclusie. De bezorgdheid
dat het toekennen van deze rechten aan migranten een onduidelijke
situatie scheppen, en van migranten burgers maken die met elk been
in een verschillende cultuur staan lijkt door de empirie tegengesproken
te worden. De Verenigde Staten hebben zelfs van de melting pot
een nationale ideologie gemaakt [28] , en onderzoek lijkt uit te wijzen dat migranten zich
sterk bij het gastland betrokken voelen. Bovendien zijn er historische
aanwijzingen, vele landen die massale migratie hebben gekend zijn
toch blijven bestaan, en kennen een wijd verspreid nationaal gevoelen.
En ook de integratie van de werkende klasse in de politieke samenleving
heeft niet geleid tot staatsverval.
Een opvallend kenmerk van de angst voor desintegratie
van de staatsidentiteit is dat ze vooral de kop op lijkt te steken
wanneer het gaat om de influx of de eisen van niet-blanken en/of niet-Christenen.
Een xenofobische grondslag van deze angst lijkt Kymlicka dan ook moeilijk
te ontkennen. [29]
De kwestie ligt wat ingewikkelde bij zelf-beschikkingsrechten,
waar de minderheid zich tot op zekere hoogte van de staat (en ruimere
samenleving) onttrekt. De samenleving waarin dergelijke eisen worden
gesteld is dus niet enkel cultureel divers, de eisers beweren dat
er meer dan één politieke eenheid bestaat. Dit leid wel naar een potentieel
conflictueuze situatie, die door nationalistische leiders misbruikt
kan worden, en uiteindelijk naar afscheiding kan leiden. Toch zijn
zelfbeschikkingsrechten, zoals hoger geargumenteerd, gerechtvaardigd
en consistent met de liberale principes. Hoe valt dit te rijmen met
de noodzaak aan een burgerlijke identiteit?
Het opleggen van een burgerlijke identiteit aan nationale
minderheden is geen oplossing. Naast het falen van deze strategie
in concrete historische gevallen acht Kymlicka het ook bedreigend
voor de waarden van het burgerschap zelf namelijk: reasonableness
and a sense of fairness, a spirit of compromise and a readiness to
meet others halfway (Rawls geciteerd in Kymlicka 1995:183).
En hoewel recentere literatuur wijst op de constructie die het nationaal
gevoel uitmaakt
[30] moet dit worden onderscheiden van het nationaal gevoel
zelf, dat veel minder voor verandering vatbaar is.
Een echte stevige basis om de gedifferentieerde burgerlijke
identiteit op te funderen vind Kymlicka niet. In het ene geval lijkt
het gebaseerd te zijn op gedeelde waarden, in het andere geval op
een gedeelde geschiedenis. De verschillen tussen multi-natie staten
in historisch, cultureel en politiek opzicht zijn te groot om een
algemeen antwoord te verdedigen. Op één grond na misschien. Misschien
kan identiteit in een multinationale staat wel worden gefundeerd op
de multiculturele situatie zelf. Of
zoals Kymlicka (1995: 190) het uitdrukt: [...] citizens might
find it exciting and an object of pride to work together to build
a society founded on deep diversity [...].
Migrantenstemrecht
Het debat rond het toekennen van stemrecht voor migranten [31] die
de Belgische nationaliteit niet bezitten wordt al decennialang gevoerd.
Ook de laatste maanden heeft dit punt weer de kop op gestoken naar
aanleiding van de perikelen rond het stemrecht voor EU-burgers en
het tragische lot van Loubna Benaïssa. Een echte doorbraak is niet
bereikt en dit thema is hoogstwaarschijnlijk slechts tijdelijk weer
wat van de politieke agenda verdwenen. Wat opvalt is dat de reacties,
zowel voor als tegen, steeds erg emotioneel zijn. Woorden als nationaliteit,
cultuur, identiteit, minderheid en integratie zijn nooit ver weg.
Maar wat is de onderliggende betekenis van deze woorden? Blommaert
en Verschueren (1992) beweren immers dat deze termen een andere dan
de puur semantische betekenis hebben verworven.
[32] Bovendien zijn het geen emotioneel neutrale termen
meer. Van zodra men zich op het gladde ijs van het migrantenvraagstuk
waagt wordt men haast automatisch ingedeeld in één van de twee kampen;
pro en contra. [33] Daarom zal eerst het migrantendebat zelf onder de
loep genomen worden.
A. Het migrantendebat.
[34]
Blommaert en Verschueren onderscheiden vier termen
die de toonaard van het migrantendebat zoals dat in België gevoerd
wordt bepalen: cultuur, de natie-staat, democratie en mensenrechten,
en integratie.
1.cultuur
De
term cultuur wordt in het migrantendebat gebruikt in de meest uiteenlopende
betekenissen. Toch gebeurt de betekenistoewijzing niet arbitrair en
valt er een zeker systematiek te ontdekken in hoe en in welke context
cultuur gebruikt wordt. Wanneer men het heeft over het
behouden van de eigen cultuur pleit men vaak voor een grotere
tolerantie voor een aantal uiterlijke kenmerken, waarbij de hoofddoek
nog steeds de meeste aandacht lijkt te trekken. Wanneer er over de
autochtone cultuur wordt gesproken, beperkt men zich niet tot deze
oppervlakteverschijnselen, integendeel. Ondanks de diversiteit die
op het Vlaamse socio-culturele vlak valt waar te nemen bestaat er
toch zoiets als een Vlaamse cultuur, waarover voornamelijk in termen
van taal en historische ontwikkeling wordt gesproken. Wat dus de culturele
eigenheid van migranten uitmaakt is dus datgene wat voor de Vlaamse
identiteit niet belangrijk is. Bovendien bestaat het gevaar dat overdreven
aandacht voor deze uiterlijke factoren de gevoeligheid hieromtrent,
zowel bij de allochtone als bij de autochtone bevolking, kan vergroten.
Cultuur bepaalt in het Belgische migrantendiscours
grenzen, en benadrukt dan ook voornamelijk verschillen. De cultuurkloof
is niet voor iedereen van gelijke diepte; er worden gradaties aangebracht,
waarbij wat de Islamcultuur wordt genoemd het verst van
ons verwijderd is. [35] De aanwezigheid van inwijkelingen wordt niet voor
elke groep op gelijkwaardige manier geproblematiseerd, hoewel er soms
dezelfde objectieve problemen kunnen worden vastgesteld. De aanwezigheid
van Europeanen, die tot de vroegere lichtingen migranten behoren,
lijkt in het migrantendebat voor weinig problemen te zorgen. Er wordt
een zekere volksverbondenheid verondersteld met gegermaniseerde
Oost-Europeanen en het toenemend belang van de Europese Gemeenschap
schijnt de kloof tussen de autochtonen en andere Europeanen te hebben
versmald. (Roossens:1998).
Er bestaan dus verschillende grenzen, maar de ultieme
breuk is die tussen de westerse cultuur en de moslimcultuur. [36]
Het migrantendebat is er dus één van veralgemeningen.
Men heeft het over dé Islamcultuur, dé Europese cultuur, dé migranten.
De cultuur van migranten [37] , voor zover die niet tot uiterlijke kenmerken wordt
beperkt, wordt ook nog op een andere manier verengt. Cultuur wordt
een problematische godsdienst; de Islam. Men richt zich vooral op
een aantal pijnpunten zoals de positie van de vrouw binnen de Islam
en het fundamentalisme. [38] Door deze hele reeks veralgemeningen en betekenisvernauwingen
wordt cultuur uiteindelijk een geheel van bedreigende en gevaarlijke
verschillen.
[39]
Cultuur wordt bovendien haast onveranderlijk in een
cultuurevolutionistisch perspectief geplaatst; de migrantencultuur
wordt vergeleken met verschillende stadia in het autochtone verleden,
gaande van enkele generaties geleden tot de feodaliteit. De migranten
worden steeds in hun thuislandcultuur geplaatst, waardoor ontkend
wordt dat zij vaak al decennialang in een geïndustrialiseerde, urbane
omgeving leven. Dat de thuislandcultuur hierdoor niet
ingrijpend zou zijn gewijzigd geeft blijk van een statische opvatting
van cultuur.
Al deze factoren samen maken dat de migrantencultuur
een negatieve connotatie heeft gekregen, en de vraag in hoeverre deze
constructie aansluit bij de werkelijkheid dringt zich dan ook op.
[40] Cultuur wordt hier overigens sterk door genaturaliseerd,
en lijkt het begrip ras te hebben vervangen. De gevolgen
zijn er echter niet minder om. Door cultuur voor te stellen als een
statische en historisch voorbijgestreefde entiteit ontneemt men elke
macht aan de migrant iets aan zijn eigen situatie te veranderen.
Dit alles leidt tot een stuitend paternalisme uitgaande van vanzelfsprekendheden
waarvan het waarheidsgehalte twijfelachtig is.
2.
De natiestaat
Het migrantendebat loopt voor het overgrote deel langs
nationale lijnen. Dit leidt tot twee uitingen van homogeniteitsdenken.
Ten eerste worden, zoals eerder al aangehaald, de migranten in nationale
termen gedefinieerd. Het zijn Marokkanen
[41] , Turken of andere nationaliteiten. De diversiteit
die ook in de landen van herkomst bestaat wordt grotendeels ontkend,
men gaat integendeel nog grote homogene blokken creëren gebaseerd
op bijvoorbeeld een gemeenschappelijke godsdienst. Men gaat nog steeds
uit van het denkbeeld van de natie-staat, waarin de staatsgrenzen
samenvallen met de grenzen van de natie. Dat dit een illusie is werd
al aangetoond in het eerste hoofdstuk. Daar waar natiegrenzen wel
samenvallen met staatsgrenzen wordt de homogeniteit gebroken door
immigratie, en vaak komen de beide in eenzelfde context voor.
Een tweede gevolg van dit nationalistische denken is
misschien één van de meest fundamentele onderliggende assumpties die
het migrantendebat bepalen; het homogeneïsme, wat neerkomt op het
geloof dat de ideale maatschappij zo gelijkvormig mogelijk moet zijn. [42]
3.
Democratie en mensenrechten
Het heersende, officiële zelfbeeld van de Vlaming,
Belg of Europeaan is er één van een vurig aanhanger van de democratie
en een pleitbezorger van de mensenrechten. Een zelfbeeld dat zich
misschien het duidelijkst toont in de buitenlandse politiek, waarin
steeds geijverd wordt voor een zo ruim mogelijke verspreiding van
deze staatsvorm en voor naleving van de mensenrechten. Wanneer dit
beeld in een evolutionistisch kader wordt geplaatst wordt de democratie
snel het (voorlopig) ideale eindpunt in een natuurlijke
historische ontwikkeling.
Vanuit diverse hoeken zijn er ook bezwaren gerezen
tegen het concept van de universele mensenrechten, voornamelijk door
te wijzen op de relativiteit ervan door een te specifieke historische
ontwikkeling. De mensenrechten zouden enkel een product van de Verlichting
zijn en daarom stevig verankerd zitten in een Westerse
context en hierdoor ook te veel vanuit het individu uitgaan Zowel
vanuit Islamitische, Afrikaanse en Oosterse middens komt steeds meer
kritiek, en er zijn al initiatieven geweest om eigen mensenrechten
op te stellen (Messer 1993).
[43]
Of deze relativiteit van belang is voor het Belgische
migrantendebat is echter niet zo vanzelfsprekend. België is immers
een westers land waar de verlichting tot het historische
en culturele verleden behoort. Wat deze relativiteit wel aantoont
is dat er andere waardenstelsels zijn, en dat ook de mensenrechten
niet mogen worden gezien als een natuurlijke gegeven, wat vanuit het
eerder genoemde cultuurevolutionistische gezichtspunt dat in het migrantendebat
aanwezig blijkt wel eens vergeten wordt. Meteen plaatst deze relativiteit
ook de rechtsproblematiek in een multi-etnische staat op de voorgrond.
Wat voor de mensenrechten geldt, gaat, mutatis mutandis, ook op voor
heel wat nationale en regionale rechtsregels. In zaken waarin verschillende
etno-nationale partijen zijn betrokken is het noodzakelijk deze de
facto rechtpluralistische situatie
[44] voor ogen te houden.
[45]
4.
Integratie
Hoe integratie wordt ingevuld wordt grotendeels
bepaald door de eerder besproken vooronderstellingen die ten gronde
het migrantendebat beheersen; cultuur, het nationalistische denken
en de opvatting van democratie en mensenrechten.
Doordat voor migranten blijkbaar een andere invulling
van cultuur -met nadruk op uiterlijke kenmerken- geldt dan voor autochtonen
-waar cultuur zich vooral manifesteert door taal, recht en geschiedenis-
betekent het behouden van de eigen cultuur ook iets zeer
specifieks; men mag kunnen vasthouden aan de eigen uiterlijke particularia.
Daarbij komt dat zelfs deze beperkte invulling van cultuur niet kan
verhinderen dat het behouden van de eigen cultuur geen
algemeen aanvaard uitgangspunt is. Integratie is dus voor een groot
gedeelte assimilatie.
[46]
Dat dit zo is wordt gestaafd door het homogeneïstische
denken dat het migrantendiscours beheerst; als de enige vorm van staat
een homogene staat is, is een verregaande vorm van assimilatie noodzakelijk. [47]
Wat betreft de idee van democratie en mensenrechten
kunnen we kort zijn; dat eender welke vorm van integratie conform
deze algemene liberale denkbeelden moet zijn is een algemeen aanvaard
uitgangspunt. Kymlicka (1995) laat echter zien dat heel wat minderheidsrechten
niet strijdig zijn met deze principes. Bovendien vereist een relativistisch
instelling dat dit enkel voor immigranten zo is. Wat dan moet gebeuren
met niet-liberale tendensen bij nationale minderheden is in het eerste
hoofdstuk reeds aan bod gekomen. Daar kon worden vastgesteld dat dit
een moeilijk probleem vormt waar geen eenduidig antwoord op kan gegeven
worden. Omdat dit in het Belgische politieke landschap niet van toepassing
is zullen we hier verder niet op in gaan.
Besluitend kan dus worden gesteld dat integratie in
het Belgische migrantendebat vooral als assimilatie moet worden begrepen. [48]
5.
Besluit
Het migrantendebat zoals dat in België wordt gevoerd
in media, politiek en wetenschappen
[49] blijkt een aantal begrippen te gebruiken waarvan de
semantische betekenis is vervangen door een meer ideologische betekenis.
Centraal staat een homogeneïstisch uitgangspunt dat verregaande assimilatie
vereist van nieuwkomers. Bovendien wordt deze assimilatie beoordeeld
door en gestuurd vanuit de autochtone bevolking, zodat de stem van
de migrant in deze niet wordt gehoord, noch in rekening
wordt gebracht. Paternalisme lijkt dus een groot deel van de vele
oplossingen, zowel van de conservatieve als van de
progressieve vleugels van politiek, media en wetenschap, te
beheersen.
Blommaert en Verschueren pleiten dan ook voor een grondige
wijziging van de algemene retoriek rond migranten en wensen
het integratiemodel te verruilen voor een samenlevingsmodel.
[50]
B.
Het migrantenstemrecht nader bekeken
Het debat over de toekenning van stemrecht aan personen
die niet over de Belgische nationaliteit beschikken vindt dus niet
plaats in een politiek vacuüm, maar is onderworpen aan een aantal
retorische eigenschappen van het migrantendebat. Het is precies
hierom dat de analyse van Kymlicka van bijzonder belang is. Hij toont
immers aan dat het toekennen van groepsrechten aan minderheden niet
in conflict staat met een algemeen burgerlijk-liberale maatschappijopvatting.
Hoewel vreemdelingenstemrecht moeilijk in één van de drie categorieën
groepsrechten valt te plaatsen, is het mogelijk te argumenteren dat
het hier welk degelijk gaat om een toekenning van groepsrechten. Kymlicka
erkent migranten als een minderheid. Ondanks het feit dat deze groep
intern zeer divers is delen zij een aantal kenmerken, in de eerste
plaats het ontbreken van politieke rechten. Bovendien gaat het hier
voornamelijk om niet-Europese migranten omdat Europese vreemdelingen
door het toepassen van de Europese richtlijnen ter zake in 2000 voor
het eerst actieve en passieve politieke rechten zullen kunnen doen
gelden, zij het enkel op gemeentelijk niveau. In hoofdzaak komt het
dus neer op wat men de migranten is gaan noemen, Turkse
en Marokkaanse vreemdeling, hoewel ook de groep van de politieke vluchtelingen
niet mag worden vergeten.
Ten tweede zien de pleitbezorgers van een opheffing
van de nationaliteitsvoorwaarden voor stemrecht dit als een middel
om het democratische deficit, het verschil tussen de kiesgerechtigde
bevolking en de eigenlijke bevolking (Jacobs 1998), te verkleinen.
Het gaat hier dus in wezen om een representatie-probleem, een probleem
dat bij Kymlicka reeds aan bod kwam.
Over vreemdelingenstemrecht zelf spreekt Kymlicka zich
niet expliciet uit. De enige verwijzing die hij impliciet geeft
is: [...] the German government unjustly denies political rights
to the children and grandchildren of Turkish guest-workers
, who were born on German soil and for whom Germany is the only home
they know. (Kymlicka, 1995: 165). Kymlicka haalt dit aan in verband met de vraag wat te
doen met niet-liberale tendensen zodat het duidelijk is dat hij vreemdelingenstemrecht
voorstaat, en wel in zon sterke mate dat hij het niet toekennen
van dit stemrecht als een schending van de liberale principes ziet.
Maar een ideologische legitimering alleen volstaat
niet. Er dient ook aandacht te worden geschonken aan de specifieke
Belgische situatie.
1.
De situatie in België vandaag
De politieke situatie in België met betrekking tot
migrantenstemrecht is duidelijk; hoewel de kwestie al van in het begin
van de jaren 80 de politieke agenda beroert bestaat er voor niet-Europese
vreemdelingen geen enkele vorm van passief of actief stemrecht op
noch op het lokale, noch op het boven-lokale niveau.
Op het informele politieke niveau zijn er wel kanalen
die ook voor vreemdelingen openstaan. Door het recht op vrije meningsuiting
en het recht op vrije vereniging kunnen migranten door het opeisen
van deze rechten hun stem laten gelden. Zo staat het derdelanders
vrij zich aan te sluiten bij politieke partijen en daar een actief
lidmaatschap uit te oefenen, evenwel zonder zich verkiesbaar te kunnen
stellen. Van de Putte (1997) stelt ook vast dat er binnen de Vlaamse
politieke partijen geen structurele maatregelen worden getroffen om
het aantal migranten, zowel genaturaliseerde als niet-Belgische, op
te krikken.
Dit is echter niet de enige weg waarlangs vreemdelingen
op de besluitvorming kunnen wegen. Sinds 1968 werden er een aantal
gemeentelijke adviesraden opgericht. De doelstellingen van deze adviesraden
waren de inspraak van vreemdelingen op en participatie aan het stedelijk
beleid bevorderen. In deze adviesraden werd er gestreefd naar een
proportionele of optimale vertegenwoordiging van de verschillende
nationaliteiten. [52] Ten tweede is dit een mooie illustratie van de ongevoeligheid
voor het bestaan van verschillende etnische groepen binnen één nationaliteit.
De adviesraden hadden een dubbele taak; vertegenwoordiging van de
migranten naar de stedelijke overheid toe en een adviserende functie
naar de migranten toe. De concrete invulling van die taken werd niet-limitatief
opgesteld maar de bedoeling bleef het overbruggen van de communicatiekloof
tussen vreemdelingen en het stadsbestuur. Het echter steeds bij een
adviserend functie en het initiatief advies in te winnen bij deze
raden lag bij de burgemeester.
De adviesraden bleken geen succes en veel initiatieven
zijn inmiddels verdwenen. Dit is te wijten aan een aantal factoren.
Het (gemeentelijke) niveau waarop de adviesraden functioneerden is
in vele migrantenzaken niet bevoegd. Bovendien was door de verschillende
selectieprocedures voor leden van de adviesraad niet steeds elke bevolkingsgroep
evenredig vertegenwoordigd. De soms hooggespannen verwachtingen, zowel
vanuit gemeentebesturen als vanuit de migrantengemeenschappen toe,
konden niet worden ingelost, zodat vandaag nog maar enkele adviesraden
zetelen. (Vranken, 1997)
Een laatste manier waarop migranten bij het besluitvormingsproces
betrokken zijn bevindt zich op het sociaal-economische vlak. Al van
1949 hebben migranten passief stemrecht en van 1963 (en vanaf 1971
zonder beperkingen) actief stemrecht bij sociale verkiezingen. Drie
verschillende instellingen , de Ondernemingsraad, het Veiligheidscomité
en de syndicale vertegenwoordigingen staan open voor migranten en
leggen geen andere beperkingen aan hen op dan diegene die gelden voor
Belgen. Toch blijft de participatiegraad van allochtonen aan de diverse
instellingen in het algemeen laag. Verschillende factoren zijn hier
oorzaak van; veel migranten zijn bang dat syndicale activiteiten aanleiding
kunnen geven tot problemen met de overheid, bovendien is de vertegenwoordigingsgraad
van migranten groot in een aantal sectoren waar de syndicaliteitsgraad
laag is. (Vranken, 1997).
Ten slotte zijn er nog de illegale wegen waarlangs
men kan proberen de politieke besluitvorming te beïnvloeden. Het is
wellicht betekenisvol dat na alle migrantenrellen wordt
gewezen op het gebrek aan andere wegen om het ongenoegen te uiten.
Het algemene beeld is er dus één van ondervertegenwoordiging.
Maar is dit een reden om voor migrantenstemrecht te pleiten?
2.
Vijf Probleempunten
Al bij al blijft de discussie over het al dan niet
toekennen van stemrecht aan derdelanders redelijk vaag. Foblets (1997)
vraagt dan ook om precisie in de argumentatie, wat gezien de vele
politieke en rechterlijke gevolgen die een uitbreiding van het stemrecht
met zich me zou brengen niet terzijde gelaten mag worden.
Een voorwaarde die steeds gesteld wordt aan het toekennen
van stemrecht aan vreemdelingen is het criterium van regelmatig verblijf.
In België bestaan echter verschillende verblijfscategorieën. Moet
iedere categorie, ook als het gaat om een tijdelijk verblijf, stemrecht
toegewezen krijgen? In deze dienen politieke keuzes gemaakt te worden.
Een bijkomend voordeel van een onderscheiden van de verschillende
categorieën is dat dit het mogelijk maakt die klassen die een redelijker
aanspraak kunnen maken op dit recht, beter te definiëren.
Zoals reeds enkele malen vermeld wordt het gemeentelijk
stemrecht bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen uitgebreid naar
alle burgers van de Europese Unie. Zo worden drie categorieën Belgische
ingezetenen gecreëerd; een categorie burgers met volledige politieke
rechten (personen met de Belgische nationaliteit), een groep die over
gedeeltelijke politieke rechten beschikt (personen die de nationaliteit
van één van de lidstaten van de Europese Unie hebben) en een klasse
zonder formele politieke inspraak (de zogenaamde derdelanders). De
Europese regelgeving voorziet wel uitzonderingsmaatregelen wanneer
in bepaalde gebieden de autochtone bevolking in de verdrukking dreigt
te komen door een verruiming van het stemrecht. De afwijking van de
algemene regel bestaat erin dat er een bijkomend criterium van minimale
verblijfsduur kan worden opgelegd. De verantwoording van deze voorwaarden
kan ook worden toegepast op een nog verdere verruiming van dit stemrecht;
men zou dit ook in gebieden waar men een grote concentratie derdelanders
kent kunnen toepassen. Hiermee zou tegemoet kunnen worden gekomen
aan een aantal angsten die duidelijk leven bij een deel van de Belgische
bevolking. [53] Een nadeel van deze uitzonderingen is dat wijken waarin
het democratisch deficit het hoogst is op die manier het laatst het
langst zullen moeten wachten op formele politieke participatie. Dergelijke
concrete maatregelen om een overgang van stemrecht gekoppeld aan nationaliteit
naar een stemrecht gekoppeld aan lokaliteit ontbreken nog te veel
in het huidige debat.
Het toekennen van gemeentelijk stemrecht aan personen
afkomstig van Europese landen wordt mede gelegitimeerd vanuit de veronderstelling
dat de aard van het lokale bestuur de inspraak van zoveel mogelijk
ingezetenen vereist. Een motivatie die op het eerste zicht kan worden
doorgetrokken naar niet-Europese vreemdelingen. Daarbij wordt echter
voorbij gegaan aan de stevige rechtspositie die door Europese regelgeving
en de creatie van een Europees burgerschap aan Europese vreemdelingen
wordt gegeven en die ontbreekt voor derdelanders. Dit maakt dat het
een verkeerde voorstelling van zaken is om het toekennen van gemeentestemrecht
aan niet-Europese vreemdelingen te presenteren als een voldoende manier
om een betere rechtspositie. Veel problemen waarmee migranten -gezinshereniging-reglementering,
arbeidsreglementeringen, personeel statuut enzovoort- worden geconfronteerd
overschrijden immers het bovenlokale niveau. Voorstanders van behoud
van de nationaliteitsvoorwaarde stellen dat naturalisatie dus een
veel betere manier blijkt om de rechtspositie van migranten te behouden.
Wie deze betere rechtspositie als doel van een verruiming van het
stemrecht ziet, moet dus meteen pleiten voor stemrecht op alle niveaus.
Een
laatste onduidelijkheid in de recente debatten betreft de verwarring
tussen stemrecht en stemplicht. Het is immers ongebruikelijk personen
die niet tot de natie behoren te verplichten politiek te participeren.
In dit verband, en ook om het stemrecht inhoudelijk te vrijwaren,
wordt er soms gepraat over andere toelatingsvoorwaarden dan verblijf,
bijvoorbeeld een voldoende taalkennis. In principe gaat het hier om
het peilen naar de integratiegraad van de betrokken migranten. Maar
zoals eerder aangetoond is integratie geen eenduidig begrip; de moeilijkheden
lijken dan ook onoverkomelijk te zijn wanneer men voor integratiegraad
pleit als een voorwaarde voor het verkrijgen van stemrecht. De criteria
voor integratie worden immers anders ingevuld door elke ideologisch-politieke
strekking. Blommaert en Verschueren (1992) wijzen er ook op hoezeer
integratie een proces is dat volledig aan de verantwoordelijkheid
van de migrantengroepen wordt onttrokken. Zowel wat betreft de opgelegde
criteria als wat betreft de evaluatie van graad van integratie ontbreekt
het hun aan een stem. Wanneer dus deze voorwaarde wordt opgelegd
vooraleer stemrecht wordt toegekend gebeurt dit opnieuw buiten de
vreemdelingen om.
Besluitend kan dus worden opgemerkt dat het debat over
het verruimen van stemrecht nog maar ten dele gevoerd is. Een aantal
politieke opties moeten nog worden verwoord, en concrete stellingnames
in deze ontbreken vooralsnog bijna volledig. Het debat wordt vooralsnog
erg ongenuanceerd gevoerd, wat ongetwijfeld samenhangt met de aard
van het ruimere migrantendiscours zoals dat in het vorige deel aan
bod is gekomen.
Besluit:
Argumenten voor migrantenstemrecht
De nood aan het toekennen van stemrecht aan is in wezen
een representatieprobleem; migranten zijn ondervertegenwoordigd in
het politieke besluitvormingsproces. Door deze ondervertegenwoordiging
wordt ook gevreesd dat hun belangen worden genegeerd en dat zij er
niet in slagen hun stem te laten horen via andere kanalen. Migrantenrellen
worden vaak verklaard vanuit deze optiek; ze hebben geen
andere manieren om de problemen die hen aanbelangen onder
de aandacht te brengen, zodat dit op een illegale manier moet gebeuren.
Maar hoe wordt representatie in de Belgische context opgevat?
België is een parlementaire democratie met representatieve
vertegenwoordiging. De vertegenwoordigers die door het volk worden
gekozen zetelen in het parlement en worden daar geacht de natie te
vertegenwoordigen. Dit vertegenwoordigingsprincipe bestaat ook op
de andere politieke niveaus. In deze territoriaal gedecentraliseerde
staatsstructuur spelen ook groepsrechten mee. Jaren van communautaire
spanningen hebben geleid tot de ontwikkeling van een federale staat,
waar gemeenschappen en gewesten uitgebreide bevoegdheden hebben. Groepsrechten
spelen voornamelijk mee op twee vlakken; op het federale niveau en
daar waar het gaat om het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Voor de nationale kamer van volksvertegenwoordigers
worden de leden rechtstreeks verkozen en worden de zetels verdeeld
in evenredigheid met de bevolking. Een demografisch overwicht van
een bepaalde bevolkingsgroep uit zich ook in een overwicht in dit
legislatieve orgaan. In de senaat liggen de zaken enigszins anders;
niet alle leden worden daar rechtstreeks verkozen. Bij de niet-rechtstreeks
verkozen leden wordt eveneens rekening gehouden met het grotere aandeel
van Vlamingen in de bevolkingscijfers; een groter aantal gemeenschapssenatoren
worden door het Vlaamse kiescollege aangeduid en ook bij de gecoöpteerde
senatoren geldt er een vastgelegde verdeelsleutel die een groter aantal
Vlaamse senatoren garandeert. Bovendien worden zowel in de Kamer als
in de Senaat taalgroepen gevormd die tussenkomen in aangelegenheden
die de harmonieuze samenleving van de Gemeenschappen betreffen. Ten
slotte is er ook een alarmbel-procedure voorzien die in
werking kan treden wanneer een bepaald wetsvoorstel of wetsontwerp
mogelijk nadelige gevolgen heeft die de relatie tussen de gemeenschappen
zou kunnen vertroebelen en die haar oorzaak vindt in het numerieke
evenwicht in het parlement.
De regelgeving omtrent de vorming van de federale regering
is grotendeels ongeschreven. Wat wel is vastgelegd is dat er evenveel
Nederlandstalige als Franstalige ministers moeten zijn, uitgezonderd
de eerste minister. Gewoonterechterlijk wordt er de laatste jaren
wel steeds voor een Vlaamse premier gekozen.
Op
het federale niveau zijn er dus zeker tendensen aanwezig die ingegeven
worden vanuit d bezorgdheid voor een correcte representatie van de
twee grootste bevolkingsgroepen. Het duidelijkst speelt dit op het
vlak van de regeringsvorming, maar ook in het parlement is dit principe
aanwezig. Dit alles vormt een aanwijzing dat men het representeren
[van] de natie en niet enkel [van] diegenen die [de vertegenwoordigers]
hebben verkozen(GW art) weliswaar huldigt als een algemeen
streefdoel, maar ook gevoelig is voor de mogelijkheid dat in deze
groepsbelangen meespelen.
Een tweede illustratie van deze dubbele houding tegenover
de representatieproblematiek vinden we bij de samenstelling van de
organen van het Brussels hoofdstedelijk Gewest, waar Vlamingen in
de meerderheid zijn. De Brusselse Hoofdstedelijk raad wordt bevolkt
door rechtstreeks verkozenen, die zijn gekozen op basis van gescheiden
Nederlandstalige en Franstalige kieslijsten. Wat betreft de leden
van de Hoofdstedelijke Regering is er wel een gegarandeerde vertegenwoordiging
van Nederlandstaligen; twee van de vijf leden zijn Nederlandstalig.
De Vlaamse en Franse regeringen moeten bovendien ten minste één lid
tellen dat tot het tweetalige taalgebied Brussel behoort.
Een
laatste illustratie betreft een ander aspect van de gevoeligheid voor
groepen inzake vertegenwoordiging. Het gaat hier om het aandeel van
vrouwen in het politieke bedrijf. Ondanks de groeiende aandacht voor
dit thema van de laatste jaren en een aantal positieve acties die
hiermee gepaard gingen, zoals het invoeren van wettelijk geregelde
quota voor kieslijsten
[54] , maken vrouwen nog altijd maar 15% uit van het politieke
personeel (VRT radio-journaal 10/3/98). Om dit deficit weg te werken
wordt vaak gepraat over positieve maatregelen die vaak neerkomen op
het garanderen van een aantal plaatsen voor vrouwen. Bovendien ijvert
men vanuit verschillende hoeken voor een mentaliteits- en structurele
wijziging binnen het politieke bedrijf, omdat dit wordt gepercipieerd
als vrouw-onvriendelijk. Deze beide voorstellen tonen duidelijk aan
dat er bewustzijn bestaat omtrent groepsgevoelige aspecten van politieke
vertegenwoordiging. Hoewel het officiële credo anders klinkt wordt
er in de realiteit dus wel geijverd voor -en bestaan er concrete maatregelen
ter bevordering van- de gegarandeerde vertegenwoordiging van bepaalde
socio-culturele groepen.
Een
tweede vaststelling die kan gemaakt worden wanneer de Belgische politiek
historisch wordt bekeken is dat er een verruiming heeft plaatsgevonden
van het begrip politiek burger. Door een aantal herzieningen
van de kieswetgeving werden gaandeweg meer en meer bevolkingsgroepen
bij het politiek besluitvormingsproces betrokken. Allereerst kreeg
de arbeidersbevolking, die onder het censusstelsel uitgesloten was,
dankzij de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht (1893)
de kans politieke rechten uit te oefenen, en pas vanaf de invoering
van het algemeen enkelvoudig stemrecht (1920) werden arbeiders op
voet van gelijkheid bij deze besluitvorming betrokken. Maar zelfs
dan was de term algemeen misplaatst; een laatste inclusie
gebeurde immers pas in 1948, toen ook vrouwen stemrecht verwierven.
Politiek burgerschap heeft dus een ontwikkeling achter de rug waarbij
het begrip een steeds groter deel van de bevolking ging omvatten.
Het
stemrecht toekennen aan vreemdelingen zou een nieuwe uitbreiding betekenen,
één die na sociaal-economische en seksuele grenzen nu ook de nationale
grenzen zou overstijgen. Dasseto () ontwikkelt zijn argumenten voor
migrantenstemrecht in deze lijn. Zoals al herhaaldelijk vastgesteld
hebben de meeste hedendaagse staten een multicultureel karakter, in
die zin dat vrijwel geen enkel staat cultureel homogeen is. Ook België
krijgt te maken met dit verschijnsel, niet alleen vanwege het bestaan
van twee of drie culturele groepen op één grondgebied, ook vanwege
de influx van personen die recent van elders kwamen.
Deze verschillende migrantengroepen treden geleidelijk
toe de samenleving, niet in een continu, lineair proces, maar als
dents de scie (Dasetto, 199?, p3). Gaandeweg gaat men
meer ingekapseld zijn in het sociale, institutionele en culturele
leven van het gastland. Dit is een proces dat traag verloopt.
Bovendien gaat deze toenemende inclusie gepaard met
wat universele rechten genoemd worden, en die vanuit hun universeel
karakter aan iedereen, ongeacht nationaliteit, worden gegarandeerd.
Deze rechten omvatten zowel individuele rechten, als sociale en burgerrechten.
Voorlopig hoort het stemrecht, en dus de concrete realisatie van politieke
rechten, daar nog niet bij.
België, en andere west-Europese gastlanden, ten slotte,
zijn socio-politieke constructies.
[55] Deze samenlevingen construeren zich niet rond bloedlijnen
of gemeenschappelijke afstamming; het voornaamste referentiepunt is
het territorium. En hoewel, zoals eerder vastgesteld, afkomst zeker
nog een rol speelt is het een kenmerk van de meeste west-Europese
gastlanden dat iedereen in principe het volledige lidmaatschap -nationaliteit-
kan verwerven. Dit wil niet zeggen dat nationaliteit een verouderd
begrip is, het speelt een belangrijke rol in de identiteitsvorming
omdat het een manier biedt om zichzelf in de wereld te plaatsen. Dit
speelt zich echter af op het individuele vlak, om een samenleving
-in het bijzonder wanneer deze wordt gekarakteriseerd door multiculturele
kenmerken- te identificeren is nationaliteit van kleiner belang, en
is het vooral het territorium-criterium dat een samenleving constitueert.
Dasseto ziet een combinatie van al deze factoren als
een degelijke fundering om daarop het stemrecht voor migranten te
legitimeren. Migranten delen hetzelfde territorium en maken in steeds
toenemende mate deel uit van de samenleving. Door het individuele
en emotionele aspect van nationaliteitskeuze is dit niet de ideale
graadmeter voor maatschappelijke betrokkenheid. Afgezien van de praktische
problemen die de naturaliseringsprocedure met zich meebrengt zijn
er wellicht ook andere factoren die kunnen meespelen in de beslissing
deze procedure niet te doorlopen. De voorwaarde van nationaliteit
niet langer laten meespelen in het al dan niet toekennen van stemrecht
is dus een verantwoorde manier om het democratisch deficit weg te
werken, de penetratie van vreemdelingen in de samenleving is van die
aard dat hen niet langer dit laatste fundamentele recht te ontzeggen.
Het feit dat het toetreden tot de samenleving een proces is dat de
nodige tijd vraagt verantwoord ook dat er andere voorwaarden worden
gesteld. Een minimum verblijfsduur is daar een goed voorbeeld van,
op voorwaarde dat deze verblijfsduur duidelijk wordt bepaald. Welke
rechterlijke categorie(-en) van verblijf hiervoor in aanmerking komen
kan worden onderzocht met voorgaande argumentatie in het achterhoofd;
het valt te verwachten dat bijvoorbeeld een buitenlands student minder
tot de samenleving toetreedt dan iemand die in het kader van gezinshereniging
emigreert.
België is dus op een historisch punt in zijn ontwikkeling
gekomen dat het niet langer te verantwoorden blijft een bepaalde groep
van het politieke besluitvormingsproces uit te sluiten. Migranten
zijn in toenemende mate deel gaan uitmaken van de samenleving. Desondanks
blijft de politieke sfeer voor hen ontoegankelijk, terwijl ze, door
een toenemende deelname aan het maatschappelijke leven, steeds meer
in contact komen met de overheden en de nood aan politieke slagkracht
toeneemt. Het huidige beleid getuigt van een ontkenning van deze realiteit
en van een paternalistische houding tegenover migranten. Een aanpassing
van dit beleid zou van een andere manier van aankijken tegen migranten
getuigen; het zou niet langer de nadruk leggen op het gast
van gastarbeider, maar zou vreemdelingen aanvaarden voor wat ze zijn:
leden van de samenleving. Daarom kunnen we met Talhoui (1997) besluiten
dat een integratieconcept [niet volwaardig kan genoemd worden]
zonder de opname van het politiek medebeslissingsrecht voor vreemdelingen(P,83).
BIBLIOGRAFIE
Alsulaiman, A. De bestuurlijke randvoorwaarden voor
de toepassing van het integratieconcept. In: Foblets, M. C. &
Hubeau, B. (eds.) (1997) Nieuwe burgers in de samenleving? Burgerschap
en inburgering in België en Nederland. Leuven: Acco: 183-201.
Anderson, B.(1995) Verbeelde gemeenschappen. Bespiegelingen
over de oorsprong en de verspreiding van het nationalisme. Amsterdam.
Amsterdam: Uitgeverij Jan Mets.
Blommaert, J. & Verschueren, J. (1992) Het Belgische
migrantendebat. De pragmatiek van de abnormalisering. Antwerpen: IPrA Research Center.
Chaplin, J. How Much Cultural and Religious Pluralism
can Liberalism Tolerate? In: Horton, J. (ed) Liberalism, Multiculturalism
and Toleration. London:
MacMillan: 18-31.
Craenen, G. (1994) Elementen van publiekrecht. Leuven, Acco.
Dassetto, F. Autour de la citoyenneté et du droit du vote.
Dunne, M. Postscript: Multiculturalism in Europe
and America. In: Dunne, M. & Bonazzi, T. (eds.) (1995) Citizenship and Rights in Multicultural
Societies. Staffordshire: Keele University Press: 265-276
Dunne, M. & Bonazzi, T. (eds.) (1995) Citizenship
and Rights in Multicultural Societies. Staffordshire: Keele University
Press.
Foblets, M.C. Gemeentelijk stemrecht voor migranten.
Precisie in de argumentatie gevraagd. In: Hubeau, B. & Foblets,
M. C. (eds.) (1997) Politieke participatie van allochtonen.
Leuven: Acco: 85-96.
Foblets, M. C. & Hubeau, B. (eds.) (1997) Nieuwe
burgers in de samenleving? Burgerschap en inburgering in België en
Nederland. Leuven: Acco
Goldberg, D.T. (1994) Multiculturalism: a Critical
Reader. Oxford: Blackwell
Hobsbawn, E & Ranger, T. (eds) (1983) The
Invention of Tradition. Cambridge: Cambridge University Press.
Hubeau, B. & Foblets, M. C. (eds.) (1997) Politieke participatie van allochtonen. Leuven: Acco
Huysse, L.(1980 (2e herziene editie 1986) De gewapende
vrede. Politiek in België na 1945. Leuven:
Kritak.
Kymlicka, W. (1995) Multicultural Citizenship.
A Liberal Theory of Minority Rights. Oxford: Oxford University
Press.
Marfording, A. Cultural Relativism and the
Construction of Culture: An examination of Japan. In: Human
Rights Quarterly, 1997, 19, p. 431-448.
Martens, A. Burgerschap en inburgering in België: een
stand van zaken. De caleidoscoop als perspectief. De onanie als vuistregel.
In: Foblets, M. C. & Hubeau, B. (eds.) (1997) Nieuwe burgers
in de samenleving? Burgerschap en inburgering in België en Nederland.
Leuven: Acco: 63-72.
Martens, L. Politieke participatie van allochtonen:
een algemeen kader. In: Hubeau, B. & Foblets, M. C. (eds.) (1997)
Politieke participatie van allochtonen. Leuven:
Acco: 15-24.
Messer, E., Anthropology and Human Rights
in Annual Review of Anthropology, 1993, p.221-249.
Milton, K. (1996) Environmentalism and Cultural
Theory. Exploring the role of anthropology in environmental discourse.
London, Routledge.
Platti,
E. (1996) Islam... vreemd? Averbode:
Altiora
Roossens E. (1998) Eigen grond eerst? Primodiale
autochtonie. Dilemma van de multiculturele samenleving. Leuven: Acco.
Samovar, L. & Porter, R. Communication between
cultures. Belmont, Wadsworth.
Strijbosch, F. Culturele delicten in de Molukse
gemeenschap. In: Nederlands Juristenblad, 1991, 16, p.666-672.
Tastenhoye, G. (1993) Naar de multiculturele samenleving?
Leuven: Davidsfonds.
Taylor,C. (1992) Multiculturalism. Princeton:
Princeton University Press.
Van de Putte, M. Politieke partijen en allochtonen.
In: Hubeau, B. & Foblets, M. C. (eds.) (1997) Politieke participatie
van allochtonen. Leuven: Acco: 25-34.
Venbrux, H. (1993) Under the mango tree: a case
of homicide in an Australian aboriginal society, Nijmegen, s.n.
Vranken, J. Inspraak en participatie van allochtonen,
met bijzondere aandacht voor het lokale niveau. In: Hubeau, B. &
Foblets, M. C. (eds.) (1997) Politieke participatie van allochtonen.
Leuven: Acco: 69-83.
Internet-referenties
Jacobs,
D. (1998) Nieuwkomers in de Belgische politiek? Bedenkingen over
politieke participatie van vreemdelingen http://users.skynet.be/sky60553/nieuwkom.htm
Overlegcentrum voor Vlaamse Verenigingen: Beleidsnota
Brussel 1996. http://www.ufsia.ac.be/~estorme/ovv‑brussel.html
Volksunie-jongeren. De Stemming. http://www.web‑effect.com/vujocongres/stemmingmigranten.htm
[2] Een mooi voorbeeld hiervan is België. Hoewel er een,
misschien beperkt, nationaal gevoelen bestaat slaagt Huysse (1986)
erin drie fundamentele breuklijnen (een levensbeschouwelijke, een
sociaal-economische en een communautaire), aan te duiden. Wanneer
we de laatste beschouwen als een talige breuklijn maakt
dit duidelijk dat België een multi-natiestaat is.
[3] De vraag is maar of er dan wel echte civiele
staten bestaan, vermits nationaliteit steeds gedeeltelijke afhangt
van afstamming. Ten eerste wordt nationaliteit doorgegeven van ouders
op kinderen. De waarden die deze kinderen aanhangen wordt daarbij
niet bevraagd. Ten tweede is het bovendien zo dat als afstamming geen
rol speelt op het macro-niveau dit mogelijks wel zo is op meso- of
micro-niveau. (Roossens: 1998) Misschien kan beter worden gezegd dat
in civiele staten lidmaatschap principieel voor iedereen openstaat,
ongeacht afstamming.
[4] Eigen vertaling van self-government rights, polyethnic
rights en special representation rights.
[5] Dat recreatie van deze societal culture
of van een deel daarvan niet alleen in migrantenmiddens gebeurt maar
ook bij nationale minderheden wordt geïllustreerd door Roossens (1998)
voor de Wendat in Canada.
[6] De tweede tak van dit concept uit zich bijvoorbeeld
in de vrijheid van meningsuiting, die de informatie nodig voor een
kritische reflectie kan aanbrengen.
[7] In wat hier volgt wordt cultuur gebruikt als societal
culture
[8] Kymlicka doelt hier ongetwijfeld niet enkel op economische
kosten maar ook op sociale en emotionele lasten hoewel hij dit niet
expliciet vermeldt.
[9] Deze opmerking van Kymlicka is misschien vreemd. Hoewel
hij de basiswaarden van het liberalisme dus wel degelijk als een specifiek
attribuut van een bepaalde societal culture bekijkt, blijft
hij de ganse wereld door een liberale bril evalueren.
Deze, misschien lichte, vorm van etnocentrisme komt later nog aan
bod.
[10] Instellingen moet hier wellicht zo ruim
mogelijk worden opgevat, en beperkt zich dus niet tot de bestuurlijke
instellingen.
[11] Dit doelt voornamelijk op landen zoals de Verenigde
Staten, Canada en Australië. In een latere golf van kolonisatie is
dit, ondanks de enorme gevolgen, van minder blijvende aard gebleken.
[12] Kymlicka erkent economische factoren dus niet als
dwingend. Bovendien problematiseert hij op deze manier de categorie
van politieke vluchtelingen, waar het dwingende element van migratie
toch wel duidelijker aanwezig is. Vermits deze klasse van vreemdelingen
evenmin nationale minderheden zijn is het nog maar de vraag in hoeverre
Kymlickas theorie op vluchtelingen van toepassing is.
[13] Dit verschil in verdeling slaat niet alleen op bevolkingsaantallen,
maar ook, en misschien zelfs in nog belangrijker mate, op een verdeling
van bestuurlijke macht.
[14] Een voorbeeld kan dit verduidelijken. In het Zuid-Afrika
van na de apartheid gaan stemmen op om iedere culturele fractie een
vetorecht te geven voor bepaalde belangrijke beslissingen. Maar de
erfenis van de apartheid, en de systematisch scheefgetrokken verdeling
van goederen en kansen maken dat de toekenning van een vetorecht aan
geprivilegieerde groepen de ongelijkheid eerder in stand zal houden.
[15] Zoals bij het gelijkwaardigheidsargument gaat het
hier meestal om nationale minderheden. Toch zijn ook voorbeelden bekend
van akkoorden met migrantengroepen. Het feit dat de voordelen
toegekend aan migranten (en dus een vorm van groepsrechten) vaak een
belangrijk argument waren om tot migratie over te gaan maakt dat deze
akkoord niet kunnen worden verworpen door te verwijzen naar het vrijwillige
karakter van migratie.
[16] Het voorbeeld dat in dit verband door Kymlicka wordt
aangehaald, namelijk dat indigenous groups vaak een meer
verantwoorde manier hebben om met het milieu om te gaan wordt tegengesproken
door Milton (1996).
[17] Dat groepsrechten de individuele keuzemogelijkheden
inderdaad ook beperken kan worden aangetoond door te wijzen op, bijvoorbeeld,
bestaande regelgeving die de vestiging van niet-leden in minderheidsgebieden
beperkt.
[18] Kymlicka beperkt zich bijna uitsluitend tot speciale
representatie door een gereserveerd aantal zetels in het legislatieve
orgaan. Andere mogelijkheden, zoals bijvoorbeeld de gemeentelijke
adviesraden, waarmee sinds 1968 in een aantal Vlaamse gemeenten is
geëxperimenteerd. (Martens, A.: 1997)
[19] Kymlicka haalt vooral Angelsaksische
voorbeelden aan. De politieke perikelen rond het kiesdistrict Brussel-Halle-Vilvoorde
tonen aan dat deze problematiek ook in België speelt. De hertekening
van de grenzen van dit district zit bijvoorbeeld in het eisenpakket
van het Pverlegcentrum van Vlaamse Verenigingen. (OVV: Beleidsnota
Brussel 1996)
[20] Een tweede aanwijzing voor deze stelling vinden we
in de senaatssamenstelling van o.a. de Verenigde Staten, waar, om
zwakkere staten zoals Alaska van een stem te verzekeren , iedere staat
een zelfde aantal vertegenwoordigers naar dit orgaan mag sturen, onafhankelijk
van de grootte van de populatie..
[21] Eigen vertaling van mirror representation
(Kymlicka P138)
[22]
Verder wijdt Kymlicka niet uit over deze representatieproblematiek.
Voor alle duidelijkheid kan toch nog gesteld worden dat ook speciale
representatierechten niet ingaan tegen liberale proposities. Kymlicka
argumenteert immers overtuigend dat deze categorie groepspecifieke
rechten helpen om de vrije keuze te garanderen. Speciale representatie-rechten
lijken dan ook noodzakelijke middelen te zijn om de andere vormen
van groepsrechten die eerder aan bod kwamen mogelijk te maken. Hoe
kan men immers poly-etnische rechten of zelfbeschikkingsrechten op
de politieke agenda plaatsen -binnen de voorziene maatschappelijke
wegen- wanneer men niet over de mogelijkheden beschikt om te wegen
op de politieke besluitvorming?
[23] Artikel 18. Het is wellicht betekenisvol dat in de
Islamitische wereld de mensenrechten vooral op dit aspect worden aangevallen.
[24] Zo tracht Chaplin (1993) aan te tonen dat Kymlicka,
in zijn eerder werk Liberalism, Community and Culture, niet
zo tolerant is als hij beweert. Kymlickas antwoord is verwerkt
in het bovenstaande. Samengevat stelt hij dat het begrip autonomie
te fundamenteel is om te herinterpreteren of te laten vallen. Kymlicka
slaagt er echter niet in concrete fundamenteel niet-liberale groepseisen
te legitimeren binnen zijn theorie. Wel stelt hij zich vragen bij
de missie van het liberalisme; moet deze liberale principes
trachten op te leggen aan niet-liberale naties? Zijn antwoord is van
dien aard dat Chaplins kritiek dat A striking feature of Kymlickas
discussion [...] is that he fails to recognize the fact that liberalism
is itself a distinctive cultural community. m.i. overeind
blijft . (Zie ook noot 8 van dit hoofdstuk)
[25] Kymlicka heeft het over het verschil tussen incentives
en coercion. Zo vindt hij het weigeren van een bevoorrechte
handelspositie wel aanvaardbaar, maar het opleggen van een compleet
embargo niet meer. Het is inderdaad problematisch dit onderscheid
te maken. Bovendien zijn zachtere vormen van dwang enkel mogelijk
tegen zwakkere staten. Zo wordt er in ontwikkelingssamenwerking een
conditionaliteits-strategie gevoerd, waarbij hulp aan
een naleving van de mensenrechten wordt gekoppeld. De vraag is dan
maar of dergelijke zwakke maatregelen tegenover minder
machtige staten nog wel zwak is. In elk geval begeeft
Kymlicka zich hier m.i. op het pad van de willekeur en draagt dit
alles nog maar weinig bij tot een concistente theorie.
[26] Ook hier valt weer de problematische klasse van de
vluchtelingen en het eenzijdige gebruik van het begrip dwang
op . (zie noot 11).
[27] Met het hertekenen van kiesdistricten worden er ook
geen imagined communiteis (Anderson: 1990) geschapen.
Het is immers een louter administratieve maatregel.
[28] Hoewel men zich kan afvragen in hoeverre deze melting
pot om conformatie aan de WASP-norm vraagt. (WASP= White Anglo-Saxon
Protestants) Het officiële discours was er echter één waarin de Amerikaanse
identiteit niet werd geïdentificeerd door afkomst, maar door het geloof
in zekere waarden. (Dunne: 1995) Ook hier is het wellicht nuttig om
het macro-niveau te onderscheiden van het meso- en micro-niveau. (Roossens:1998)
[29] Ook in België kan deze vaststelling gemaakt worden.
Vooral de aanwezigheid van Turken en Marokkanen wordt geproblematiseerd.
(Blommaert en Verschueren: 1992) (Alsulaiman:1997) (Roosens:1998)
[30] Bijvoorbeeld in werken van Hobsbawn en Ranger (1983)
en Anderson (1990).
[31] Dit is in dit verband een problematische term. Migranten
zijn inwijkelingen afkomstig van buiten de staatsgrenzen. Dit neemt
niet weg dat zij inmiddels genaturaliseerd kunnen zijn en dus, als
Belg volledige politieke rechten genieten. Hetzelfde gaat op voor
de term allochtonen. Een beter woord is eigenlijk vreemdelingen, gedefinieerd
als zij die niet tot de Belgische staatsburgers behoren. De drie termen
zullen in verband met stemrecht door mekaar gebruikt worden, met dien
verstande dat er steeds niet-Europese, niet-genaturaliseerde vreemdelingen
mee worden bedoeld.
[32] In het vorige hoofdstuk is al gewezen op de betekenisversmalling
van het woord migranten.
[33] Dit was zeer goed te merken op de Staten Generaal
van het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding, waar ik
deelnam aan de werkgroep Politieke Rechten. Van een serene discussie
was m.i. geen sprake. Of zoals één van de deelnemers het uitdrukte:
Argumenten zijn niet meer nodig, wij zijn allemaal al overtuigd.
Nu is het tijd voor concrete actie, wat overigens op algemene
instemming werd onthaald. Plaats voor nuancering of voor een duidelijker
omschrijving van hoe migrantenstemrecht moet worden ingevuld was er
niet. Nochtans is deze invulling nog niet erg duidelijk.(Foblets:1997)
(Dasseto:?). De loskoppeling van de begrippen burgerschap en nationaliteit,
wat in het BRTN-journaal werd vermeld als algemene conclusie van deze
werkgroep situeert Dasseto (199?) op het eind van de jaren 80.
[34] Voor dit deel is voornamelijk gebruik gemaakt van
de pragmatische analyse van Blommaert en Verschueren (1992). Hun onderzoek
betrof het migrantendebat zoals dit wordt gevoerd in de media, in
de politieke arena en in sociaal-wetenschappelijke middens.
[35] Met ons wordt de autochtone bevolking
bedoeld.
[36] Ook de afstand tot Afrikanen en Zuidoost-Aziaten
wordt als zeer groot ervaren. Samovar en Porter (199?) beschouwen
de kloof tussen Aziaten en Europeanen en Amerikanen als degene die
het moeilijkst overbrugbaar is. Het migrantendiscours beperkt zich
echter voornamelijk tot wat genoemd wordt de Islamcultuur.
Ook dit is een veralgemening van zeer grote orde; eigenlijk heeft
men het over Turken en Marokkanen die ook op hun beurt een heterogene
groep vormen.
[37] Migranten tussen aanhalingstekens geplaatst
doelt op de groep die in het migrantendebat hiermee wordt bedoeld;
Turken en Marokkanen.
[38] Platti (1996) verkiest het woord Islamisme.
[39] Blommaert en Verschueren wijzen hier naar het aandeel
van de antropologie in deze opvatting van cultuur als verschillen.
Volgens identificeert de antropoloog verschillen als cultuur terwijl
gelijkenissen als universalia worden bekeken. Dit lijkt me toch een
te eenzijdige benadering van de hedendaagse sociale en culturele antropologie.
[40] Blommaert en Verschueren pleiten voor meer etnografisch
onderzoek in deze. Statistisch-sociologisch onderzoek wijzen zij af.
Hun analyse van het onderzoek van Billiet, Carton en Huys; Onbekend
of onbemind? is ronduit vernietigend.
[41] Dat, bijvoorbeeld, een deel van de Marokkaanse immigranten
Berbers zijn, die ook in Marokko een minderheid vormen wordt in het
officiële discours buiten beschouwing gelaten.
[42] Seperatistische bewegingen legitimeren hun streven
op dezelfde manier.
[43] Het verdedigen van de universele mensenrechten concentreert
zich vooral op het zoeken naar universals. Dat men hierin
soms erg ver kan gaan bewijst Marfording (1997) die, om tegenargumenten
als zouden de mensenrechten te individueel zijn om in Japan, waar
het collectief belangrijker zou zijn, van toepassing te zijn in een
historische analyse beginnend vanaf de 17e eeuw probeert aan te tonen
dat het collectieve Japanse gevoelen niet meer dan een constructie
is. Dat dergelijke redeneringen een echte verdediging van de universaliteit
van de mensenrechten vormen is nog maar zeer de vraag.
[44] Met deze de facto rechtpluralistische situatie
wordt bedoeld dat, ondanks een algemeen geldend rechtstelsel, niet
iedereen dezelfde culturele logica deelt die aan de basis van dit
rechtstelsel ligt. Waar het dan gaat om diep gewortelde gevoelens
van rechtvaardigheid in verband met huwelijksstelsels, seksualiteit
of sociale relaties is het wenselijk de relativiteit van het algemene
rechtsstelsel te onderkennen en in de afwikkeling van de rechtsgevolgen
die een daad gepleegd vanuit deze culturele logica genereren in rekening
brengen.
[45] Vooral met betrekking tot culturele delicten is dit
vaak gevoelige materie die erg emotionele reacties kan veroorzaken
bij zowel de betrokken partijen als de ruimere samenleving. Culturele
delicten worden vaak gepleegd vanuit diep ingewortelde eigen
culturele waarden. Regelgeving die ongevoelig is voor de culturele
logica van minderheden, maar waar zij wel aan onderworpen blijven
-vaak is strafrecht één van de laatste rechtstakken waarin minderheidsrecht
aanvaard wordt, precies vanwege de universele mensenrechten- kan dus
verregaande gevolgen hebben voor de betrokken groep. Voor voorbeelden
van dergelijke problemen zie Strijbosch (1991) voor migranten -meer
bepaald de Molukse Gemeenschap in Nederland- en Venbrux (1993) voor
nationale minderheden -meer bepaald Australische Aboriginals.
[46] Deze vaststelling houdt geen waardeoordeel in. Merk
op dat Kymlicka (1995) in dit verband stelt dat het niet wenselijk
is dat migranten de ganse societal culture -wat overeenkomt
met wat in het migrantendiscours de Vlaamse cultuur inhoudt- reproduceren
in het gastland. Ook hij beschouwt dus een bepaalde mate van assimilatie
als aanvaardbaar, zelfs wenslijk.
[47] Wanneer men het politieke spectrum doorloopt valt
op dat de meest nationalistische partijen ook de meest verregaande
vormen van assimilatie eisen, zelfs tot op een punt dat assimilatie
niet mogelijk is en er een fysieke verwijdering wordt bepleit.
[48] Dat ook de zogenaamde progressieve of
tolerante milieus niet aan deze assimilatie-veronderstelling
ontsnappen wordt duidelijk geïllustreerd door een mini-polemiek die
vorig jaar werd gevoerd in De Morgen (DM 27/5/97 en 9/6/97). Na een
artikel over gedwongen migrantenhuwelijken probeert Kristel
Luyckx, die ter zake onderzoek verrichte, het onderscheid aan te brengen
tussen gedwongen en familiegeïnitieerde huwelijken.
DM reageerde hierop met een veelbetekenende Whats in
a word?
[49] Dat deze onderliggende veronderstellingen ook in
de sociale wetenschappen meespelen is in het voorgaande niet expliciet
aan bod gekomen. Blommaert en Verschueren (1992) onderzoeken voor
statistische benaderingen van het migrantenprobleem en
komen tot de vaststelling dat de verschuiving van betekenissen in
het migrantendiscours woorden een dergelijk emotioneel gewicht geeft
dat een statistische analyse hooguit een benaderend beeld kan geven
en in een zekere mate precies de ideologische betekenis van de begrippen
in dit debat in stand houdt. Zij pleiten voor een grondigere aanpak
van dit onderzoeksdomein in de vorm van etnografisch onderzoek.
[50] Wat een verandering van dergelijk diep-gewortelde
assumpties moet bewerkstelligen laten zij in het midden. Bovendien
stellen ze dat [...] van migranten alleen kan geëist
worden wat ook van Belgen geëist wordt: dat ze zich houden aan bestaande
wetten. (Blommaert en Verschueren p.238) Een zekere graad van
assimilatie is dus onvermijdelijk. Dat een [...]volledige aanvaarding
van diversiteit als uitgangspunt. (Blommaert en Verschueren
p.238) ook vereist dat er zelfs op rechterlijk vlak rekening gehouden
moet worden met specifieke culturele praktijken van minderheden wordt
door hen niet bepleit. Ook wat dus een dergelijk samenlevingsmodel
zou moeten inhouden wordt niet verder gespecifieerd.