(Opgelet: deze artikels werden voor 2002 geschreven en zijn dus mogelijk gedateerd)

Temporele culturele relativiteit: Geertz, Gell, Bloch en Howe

1.      Afbakening

In deze tekst zal de idee van temporele culturele relativiteit aan bod komen. Hierbij wordt vertrokken van het invloedrijke essay van Clifford Geertz : Person, Time and Conduct in Bali. In The Anthropology of Time laat Alfred Gell M. Bloch en L. Howe  aan het woord, die, vanuit een verschillend standpunt, Geertz bekritiseren. Deze standpunten zullen kort uiteen gezet worden, om daarna te komen tot een nuancering van het begrip temporele culturele relativiteit.

2.      Tijd in Bali

Het artikel van Geertz heeft, zoals de titel laat vermoeden, een andere bedoeling dan de tijdsopvatting van de inwoners van Bali weer te geven, maar wil eerder aantonen hoe zij zich eerder als gedepersonaliseerde ‘contemporaries’ dan als geïndividualiseerde ‘consociates’ tot elkaar verhouden. Hiertoe bouwt hij een ‘culturele driehoek van krachten’ op waarvan Balinese tijd, naast Balinese opvattingen over persoon en gedrag, slechts één hoek vormt. Hier zal enkel tijd aan bod komen, hoewel het m.i. erg belangrijk is Geertz bedoeling voor ogen te houden.
In Bali zijn, naast andere, minder belangrijke kalenders, twee tijdssystemen in gebruik, met name een ‘permutational’ kalender en een zon-maan kalender.
De ‘permutational’ kalender bestaat uit tien cycli van dagnamen, cycli met een variabele lengte. Zo is er een cyclus van 1 dag, één van 2 dagen, enzoverder. Dit brengt dus met zich mee dat elke dag door dit systeem 10 namen heeft. Cultureel zijn echter vooral de cycli van 5, 6 en 7 dagen belangrijk. Een combinatie van elk van deze cycli en van de drie cycli samen heeft als gevolg dat er, afhankelijk van welke cycli men samen neemt, periodiseringen onstaan van 30 (5 en 6), 35 (5 en 7), 42 (6 en7) en 210 (5, 6 en 7) dagen. Deze periodiseringen zijn niet alleen sociaal belangrijk maar reflecteren, zo zegt Geertz, de structuur van de realiteit.
Tijd presenteert zich hier als een aantal geordende sets van quantum eenheden, dagen, waarbij elk van deze dagen een zeker kwalitatief belang heeft dat wordt aangeduid met de bi- of trinominale benaming. De kalender wordt hier dus niet gebruikt om tijd te meten, maar om discrete en kwalitatieve tijdseenheden van elkaar te onderscheiden. Zo wordt dit systeem o.a. gebruikt om feestdagen (op één uitzondering na) te identificeren, dagen voor tempelvieringen te bepalen, om gunstige of ongunstige dagen voor het ondernemen van activiteiten van elkaar te onderscheiden en om bepaalde karaktertrekken aan individuen toe te schrijven  op basis van zijn of haar geboortedag. Deze kalender deelt dus niet mee, uitgedrukt in Europese termen, de hoeveelste dag van de maand of het jaar het is, maar wel welk soort dag het is.
Een tweede kalender die cultureel belangrijk is, de zon-maan kalender, bestaat uit 12 maanden die lopen van nieuwe maan tot nieuwe maan, en bestaan uit 30 maan-dagen en 30 of 29 (vanwege de discrepantie tussen een solair en een lunair jaar) zonnedagen. Dit laatste wordt bepaald op basis van de ‘permutational’ kalender. Vermits dit systeem een afwijking kent van 9 tot 11 dagen wordt er om de 30 maanden een zogenaamde leap-month ingevoerd.
Hoewel dit systeem op astrologische gronden gefundeerd is, is ze dat enkel in haar, hindoeïstische, oorsprong en niet in gebruik. Ook deze kalender vertelt volgens Geertz welk soort dag het is, waarbij de stand van de maan eerder de kalender reflecteert dan vice versa. Deze kalender vormt bovendien niet zozeer een alternatief voor de ‘permutational’ kalender dan wel een supplement.
Dit tijdsbegrip hangt bovendien samen met een derde hoek van Geertz’ ‘culturele driehoek’; gedrag. Sociale contacten zijn niet gericht naar een climax, ruzies duiken op en verdwijnen weer zonder duidelijke oplossingen, artistieke opvoeringen beginnen en eindigen zonder een werkelijk begin, midden en einde te kennen, ‘events […] appear, vanish and reappear – each sufficient unto itself […]’ (Geertz 1973: p. 403). Tijd maakt deel uit van een cultureel complex dat maakt dat personen elkaar ontmoeten als ‘contemporaries’ en niet als ‘consociates’ waarmee ze een biografie delen. In die zin speelt tijd een rol in het gedepersonaliseerde, of volgens Gell, gedeïndivudualiseerde karakter van de Balinese persoonlijkheid.

3. M. Blochs kritiek

Blochs kritiek op Geertz’ Person, Time and Conduct in Bali is tweeledig: enerzijds identificeert hij Geertz als een cultureel relativist, wat hij als een essentieel fout standpunt beschouwt, en anderzijds verwijt hij Geertz geen onderscheid te maken tussen ideologie en cognitie, en stelt dat deze het rituele denken van de Balinezen verwart met het denken tout court.
1) De durkheimiaanse idee dat tijd essentieel sociaal is en gelijktijdig zijn oorsprong vindt in de samenleving en zichzelf aan de samenleving opdringt wordt volgens Bloch tegengesproken door recente cognitieve theorieën en steunt op verouderde cognitieve modellen die aantoonbaar vals zijn. Cognitieve tijd is, zo stelt Bloch, universele perceptuele tijd, die ontstaat uit een universeel ontwikkelingsproces waarin geleerd wordt via bepaalde universele schemata, oorspronkelijk afkomstig van interactie met de wereld, ervaringen te structureren en (temporele) relaties te begrijpen. Antropologen die, zoals Geertz volgens Bloch doet, temporeel relativisme aanhangen, baseren zich op ideologische en rituele opvattingen over tijd, waarin inderdaad wereldlijke tijdsconcepten gewijzigd kunnen worden, maar welkeens actieradius zich beperkt tot ideologie en ritueel en zich niet uitbreidt tot alle contexten. Bloch haalt een aantal redenen aan waarom relativisme principieel fout is. Ten eerste zou, als het temporeel relativisme zou kloppen, het onmogelijk zijn met personen uit andere culturen te communiceren, wat meteen ook het antropologische project onmogelijk zou maken, wat duidelijk niet het geval is. Verder tonen linguïstische studies aan dat alle natuurlijke talen steunen op identieke logische premissen, wat inhoudt dat zij tijd op een zelfde manier begrijpen. Verder verwijst hij naar cognitief-psychologische en psycholinguïstische studies die met succes op zoek zijn gegaan naar cognitieve universalismen, en haalt hier het voorbeeld van het kleurenonderzoek van Berlin en Kay aan. De conclusie is voor Bloch dan ook duidelijk: Geertz is fout omdat zijn uitgangspunt fout is.
2) Een tweede deel van Blochs aanval op Geertz ligt in het verlengde van het eerste: Geertz presenteert zijn etnografisch materiaal op een eenzijdige manier en verder is het pragmatisch gebruik van tijd een functie van sociale structuur, en geen uiting van een andere tijdsconceptie per se. Ten eerste wijst Bloch erop dat enkel ‘priesters’ de ‘permutational’ kalender voor religieuze doeleinden gebruiken, terwijl het ‘gewone volk’ eerder de zon-maan kalender hanteert. En ten tweede wijst Bloch op de reeks sociaal- en politiek-turbulente  periodes die Indonesië gekend heeft, en die als tijdsindicatoren voor dagdagelijkse gebeurtenissen worden gebruikt. Deze bezwaren zijn een concrete invulling van Blochs algeme afwijzing van een relativistische instelling waaruit hij andermaal besluit dat Geertz’ begrip van Balinese tijd verstoord is.
Tenslotte wijst Bloch erop dat Bali een voorbeeld is van een hiërarchische maatschappij gesteund door een rituele ideologie, welk een kader vormt dat rationele kritiek hindert. Wat betreft tijd is dit echter enkel een aanduiding dat de Balinezen in rituele contexten een andere tijdsnotie hanteren, wat niets zegt over een meer wereldlijke context, waar tijdsbeleving gebaseerd is op cognitieve universalismen.

4.      Evaluatie van Blochs kritiek.

Zonder te willen en kunnen ingaan op de bevindingen van de hedendaagse cognitieve wetenschappen kunnen er toch enkele bedenkingen worden gemaakt bij Blochs vertrouwen in deze wetenschappen. Ten eerste merkt Gell op dat het niet correct is het kleuronderzoek van Berlin en Kay te vergelijken met tijdsperceptie, vermits het eerste rechtstreeks uit zintuiglijke waarneming voortkomt in tegenstelling met tijd, waar perceptie problematischer is. Verder kunnen er, ondanks de algemene aanvaarding van het onderzoek van Berlin en Kay, methodologische vraagtekens bij worden geplaatst, ten minste wat betreft hun toepassing inzake een verwerping van de linguïstische relativiteitstheorie (Lucy, 1992). Dit onderzoek laat bovendien uitspraken toe over de discriminatie van kleuren, maar zegt weinig over kleurverschillen op zich (Swiggers, persoonlijke communicatie). Tenslotte zijn er aanwijzingen dat visuele perceptie beïnvloed wordt door het ervaringsmilieu waarin iemand opgroeit: mensen die opgroeien in een ‘carpenters world’ hebben minder moeite met het waarnemen van perspectief dan personen die opgroeien in bv. een sterk beboste omgeving waar men niet in contact komt met weidse landschappen (Berry et. al., 1992). Hoewel deze opmerkingen weinig zeggen over tijdsperceptie, laten zij toch toe een zekere scepsis te formuleren bij Blochs aanvaarding van de universaliteit van waarnemingscategorieën.
Een meer fundamentele kritiek op dergelijk onderzoek, echter weer in verband met het kleurenonderzoek, is de vraag naar het belang van betekenis in dit soort onderzoek, dat typisch gedecontextualiseerd is, zoals die door o.a. Sahlins wordt geformuleerd. Het is precies naar betekenis dat Geertz’ methode van ‘thick description’ op zoek gaat, zodat deze kritiek m.i. van fundamenteel belang is.
Wat betreft Blochs opmerkingen bij Geertz’ presentatie van de etnografische gegevens kan worden opgemerkt dat Geertz niet ontkent dat er andere dan de twee voorgestelde kalenders, bv. de Gregoriaanse kalender, in gebruik zijn. Geertz geeft zelfs toe dat het belang van deze kalender stijgt, maar ziet dit als een gevolg van verandering, terwijl Bloch dit eerder ziet als een bewijs dat de tijdsperceptie van de inwoners van Bali niet beïnvloed wordt door de ‘permutational’ kalender. Evenmin ontkent Geertz dat Balinezen in staat zijn om ‘durational’ te denken. Verder is ook Blochs presentatie van (secundair) etnografisch materiaal verstoord. Geertz zelf wijst wel degelijk praktische implicaties van de ‘permutational’ kalender aan, waaruit blijkt dat deze een wijdere dan enkel rituele toepassing kent en een zekere invloed uitoefent op het dagelijkse leven. Bovendien wordt Blochs stelling dat enkel ‘priesters’ gebruik maken van de ‘permutational’ kalender tegengesproken door andere etnografen.
Gell wijst erop dat de kritiek van Bloch enkel geldig is bij een bepaalde, doch niet noodzakelijk correcte, lezing van Geertz’ tekst, namelijk één waarin Geertz wordt verondersteld bepaalde relativistische uitspraken te doen in verband met de metafysische karakteristieken van tijd. Hierop wordt zo dadelijk teruggekomen.

5.      De kritiek van Howe en Gell.

Howe lijkt de etnografische data van Geertz grotendeels te aanvaarden en heeft dan ook voornamelijk bedenkingen bij de manier waarop Geertz deze gegevens interpreteert en samenbrengt. Ten eerste wijst hij erop dat het gebruik van de ‘permutaional’ kalender niet uitsluit dat deze niet gebruikt kan worden voor het meten van tijd. De meeste Balinezen zijn in staat deze kalender over tamelijk grote intervallen te berekenen, en gebruiken deze kalender voor het coördineren van toekomstige activiteiten. Dit argument steunt volgens Gell, ten tweede, op een breder argument dat cyclisch denken [1] niet mogelijk is zonder een lineaire component. Cyclische tijd gaat immers terug naar een logisch beginpunt, niet zozeer naar een temporeel begin. De notie van cyclische tijd is dus logisch afhankelijk van lineaire tijd, vermits cyclische gebeurtenissen enkel kunnen terugkeren in een lineaire tijdsopvatting.
Gell merkt verder op dat het gebruik van gedrukte kalenders ook door rituele experten, voorafgegaan door traditioneel geëtste kalenders, wijd verspreid is, wat vragen doet rijzen bij de mate waarin dit systeem geïnternaliseerd is. Dit is overigens niet tegenstrijdig met de observatie van Howe dat vele Balinezen in staat zijn de kalender over vele dagen te berekenen, precies omdat hij moet worden berekend.
Tenslotte wijst Howe nog op een punt waar Geertz in zijn essay geen rekening meet lijkt te houden, namelijk dat de complexe Balinese tijdsconfiguratie een instrument van macht en seculiere invloed is, vermits de invulling van het seculier gebruik van de ‘permutational’ kalender, bv. bij het bepalen van dagen waarop het gunstig is een bepaalde activiteit te regelen, in handen is van rituele specialisten.

6.      Besluit

Het is moeilijk, vanuit mijn persoonlijk standpunt zelfs onmogelijk, tot een uiteindelijke evaluatie te komen van wat Geertz in Person, Time and Conduct in Bali beschrijft. Toch zou ik hier, met enige aarzeling en veel reserve, willen trachten enkele bedenkingen te maken.
Zoals Gell reeds opmerkt gaat Bloch bij zijn kritiek op Geertz uit van een bepaalde lezing van diens tekst. Deze lezing lijkt mij te zeer abstractie te maken van de algemene stelling die Geertz in zijn tekst tracht aan te tonen. Bovendien negeert hij de opmerkingen van Geertz, die doorheen de hele tekst opduiken, waarmee hij zijn algemene beschrijving van zowel tijd, persoon als gedrag steeds opnieuw nuanceert. Geertz lijkt mij het voorkomen van lineaire tijdsbeleving niet te ontkennen, maar legt het accent op het ontbreken van een zekere doelgerichtheid of climax.
Verder, een opmerking die zowel op de kritiek van Bloch als op die van Howe betrekking heeft, valt het mij bijzonder op dat geen van deze auteurs aanmerkingen maakt bij wat Geertz ‘the absence of climax’ noemt, die mij persoonlijk toch één van de belangrijkste kenmerken van de Balinese tijdsbeleving lijkt. Bovendien lijkt het mij zo te zijn dat deze absence of climax niet zozeer wordt tegengesproken door de opmerking dat Balinezen in staat zijn lineair te denken, vermits het hier eerder lijkt te gaan om een kwalitatief kenmerk dat, ook, aan lineaire tijd kan toegeschreven worden. Een eventuele ontkenning hiervan lijkt mij, zoals eerder opgemerkt, van de veronderstelling uit te gaan dat afwezigheid van climax stasis betekent. Op zijn beurt vormt dit een tegenargument voor de lezing van Bloch, waarin deze Geertz verwijt uitspraken te doen over metafysische kenmerken van tijd.
Elders in The Anthropology of Time stelt Gell het volgende:
‘[…] temporal cultural relativism is in fact justified, but […] it can only be succesfully defended against the reductionist positions wich deny cultural relativism due recognition, on condition that the specific form of cultural relativist theory adopted is not presented as if it were a contribution to metaphysics […]’ (Gell, 1992: p. 54)
Het temporeel cultureel relativisme dat Geertz in zijn tekst onderschrijft lijkt mij aan dit criterium te voldoen, en dus gerechtvaardigd te zijn. Hiermee hangt een onderscheid samen dat Gell verderop maakt samen, met name dat tussen ‘ervaren’, subjectieve en ‘op de klok gebaseerde’, cognitieve tijdsduur, twee tijdsconcepten die een discrepantie vertonen die door experimenteel psychologisch onderzoek wordt vastgesteld. (Deze samenhang is echter niet identitiek, vermits beide een lineaire tijdsbeleving uitdrukken.) De mogelijkheid dat cultureel-symbolische configuraties zoals Geertz die in zijn tekst identificeert een zekere invloed uitoefenen op de subjectieve tijdsbeleving lijkt mij niet helemaal uit te sluiten.
De vraag die m.i. in dit verband dient te worden gesteld is welk soort tijd de antropologie tot zijn onderwerp dient te nemen. Deze vraag kan misschien beantwoord worden door te bekijken welk soort van tijd door de mens wordt ge- en beleefd, welke betekenis tijd op een gegeven plaats in tijd en ruimte toegemeten krijgt,.

Bibliografie

Berry, J. W., Poortinga, Y. H., Segall, M. H. & Dasen, P. R. (1992) Cross-cultural psychology: Research and applications. Cambridge: Cambridge University Press.
Foley, W. A. (1997) Anthropological Linguistics. An Introduction. Oxford: Blackwell Publishers.
Geertz, C. (1973) “Person, Time and Conduct in Bali” in The Interpretation of Cultures: Selected Essays. New York: Basic Books Inc.
Gell, A. (1992) The Anthropology of Time: Cultural Constructions of Temporal Maps and Images. Oxford: Berg.
Lucy, J. A. (1992) Language diversity and thought: A reformulation of the linguistic relativity hypothesis. Cambridge: Cambridge University Press.


[1] In mijn persoonlijke lezing van Geertz tekst vind ik het begrip cyclische tijd niet duidelijk terug, althans niet in de betekenis waarin deze doorgaans lijkt begrepen te worden, als steeds terugkerende gelijkheid. M.i. wordt hier de fout gemaakt gebrek aan climax te verwarren met stasis, en stasis te conceptualiseren als circulariteit.