(Opgelet:
deze artikels werden voor 2002 geschreven en zijn dus mogelijk gedateerd)
Waarom
is er geen moderne wetenschap ontstaan in traditioneel China?
Het
vertrekpunt van deze tekst is de vraag: “Waarom is er geen moderne
wetenschap ontstaan in traditioneel China”, een vraag die ook wel
bekend staat als ‘Needhams puzzle’(Ho, 1995), naar Joseph Needham
(1900-1995). Needham’s Science and Civilisation in China, een
uit zeven volumes bestaand verzamelwerk, leverde hem de status van
uitstekend kenner van de Chinsese cultuur in het algemeen, en Chinese
wetenschap in het bijzonder op. [1]
Deze
vraag, hoe fascinerend ze aanvankelijk ook lijkt, vraagt echter eerst
zelf de nodige aandacht vooraleer een begin kan gemaakt worden met
het zoeken naar een antwoord. Ze lijkt haar oorsprong te vinden in
de verklaring die Francis Bacon kort na 1600 geeft voor de grote bloei
van menselijke kennis in wat nu de Renaissance wordt genoemd en waarin
hij verwijst naar drie grote ontdekkingen die deze bloei mogelijk
maakten, met name buskruit, de drukkunst en de magneet, die respectievelijk
oorlogsvoering, literatuur en navigatie onherkenbaar veranderden.
De gedachte dat het een aantal duidelijke ontdekkingen waren die het
startschot hebben gegeven voor wat uiteindelijk zou leiden tot de
moderne, rationele wetenschap zoals we die vandaag kennen bleef erg
belangrijk tot in 1920 (Sivin, 1990) en wordt ook nu nog vaak aangehaald
in meer populaire tijdschrift- en krantenartikels en televisieprogramma’s. [2]
Elk van deze drie ontdekkingen was reeds veel langer in China bekend. De eerste
teksten gedrukt op papier op basis van herbruikbare elementen duiken
in China, ongeveer vierhonderd jaar (±1040 n. chr.) voor de Gutenberg-bijbel (± 1448) op. De literatuur, zowel wat
betreft humanistische teksten als teksten in bijvoorbeeld wiskunde
of geneeskunde, werd er in China echter niet zo door beïnvloed. In
1100 bijvoorbeeld, bevolen de autoriteiten het drukken van gestandaardiseerde
verzamelingen van teksten, in een poging het onderwijs te controleren.
Dit had echter, evenals latere pogingen, niet het gewenste effect.
De formule voor buskruit, dat in Europa pas bekendheid verwerft in
de 14e eeuw, was reeds bekend in 1050, en ook wapens die
gebruik maakten van de explosieve kracht van dit mengsel werden ontwikkeld
tussen 1270 en 1320. Een soort kompas bestond reeds vanaf de eerste
eeuw na Christus en het kompas zoals wij dat kennen, inclusief kennis
van de declinatie ten opzichte van de werkelijke pool, was bekend
voor 1100. (Sivin, 1990; Encyclopædia
Brittannica Online)
De
vraag die dan aanvankelijk gesteld was kan geherformuleerd worden
als volgt: “Waarom ontstond in China geen moderne wetenschap, ondanks
het feit dat de nodige elementen hiervoor aanwezig waren?” Sivin (1982)
vindt dit een bijzonder vreemde en uiteindelijk foute vraag
[3] . Allereerst wijst hij erop dat dergelijke heuristische
vragen erg ongewoon zijn, het gaat hier immers om de vraag waarom
iets niet gebeurde, een vraag die uit een schier oneindige
verzameling komt. Dit is, zo argumenteert hij omdat deze vraag gebaseerd
is op een aantal diepgewortelde westerse assumpties.
Eerst en vooral heeft ze een impliciet moraliserend karakter: een technologische
revolutie is wat iedere samenleving wil hebben. Het is echter niet
duidelijk in welke mate een dergelijke revolutie gewild was, zelfs
in Europa, vooraleer ze had plaatsgevonden, of vooraleer ze praktische
toepassingen had gegenereerd.
Deze
veronderstelling is volgens Sivin gebaseerd op een tweede, meer verborgen,
assumptie, namelijk dat het Westen de realiteit op een manier bekeek
(en bekijkt) die correcter was (en is) dan de kijk van andere samenlevingen
(Sivin, 1982). Deze vooronderstelling lijkt geïlllustreerd te kunnen
worden als men de impact van de ontwikkeling van moderne wetenschappen
op filosofie en theologie bekijkt. Auguste Comte beschouwt het positieve
stadium immers als het eindstadium en einddoel van het menselijke
denken, die elke andere manier van denken (theologisch en metafysisch
denken in de terminologie van Comte) overstijgt en teniet doet (Van
der Veken, 1986). Sommigen merken hierbij op dat Comte het bij het
rechte eind heeft gehad, en dat wetenschap inderdaad grotendeels een
einde heeft gemaakt aan andere denkwijzen. Het is echter eerder het
sciëntisme, als doctrine die stelt dat wetenschappelijke kennis de
enige ware kennis is die hiervoor verantwoordelijk gesteld kan worden
(Neckebroeck, s.d.). Het is precies deze doctrine die Sivin identificeert
als één van de assumpties die de vraag waarom omtrent het uitblijven
van een wetenschappelijke revolutie in China zoals hierboven geformuleerd
zijn schijnbare legitimiteit geeft.
Tenslotte
merkt Sivin op dat de westerse wetenschap zelf niet geheel vrij is
van de invloed van de specifieke historische ontwikkeling die dit
westen heeft doorgemaakt. Chinese wetenschap bestond zonder het onderscheid
tussen lichaam en geest, tussen objectief en subjectief, tussen deeltje
en golf, dat zo diep geworteld zit in het westerse wetenschappelijke
denken. Hoewel het zichzelf aldus presenteert is de moderne wetenschap
niet universeel. Westerse wetenschap en technologie hebben zich over
de wereld verspreid, maar dit maakt niet dat zij specifiek Europese
denkpatronen transcendeert. (Civin, 1982)
Dit
neemt natuurlijk niet weg dat een aantal verklaringen zijn geopperd,
die Sivin in twee categorieën groepeert. Ten eerste zijn er de verklaringen
die stellen dat in de Chinese wetenschappen andere noodzakelijke voorwaarden
om te komen tot de moderne wetenschap niet vervuld waren. Zo wordt
bijvoorbeeld geargumenteerd dat de denkers uit de Ch’ing dynastie
(1644-1911/12) de wereld wel als observeerbaar, nominalistisch feit
bekeken maar niet, zoals Francis Bacon, tot de ontwikkeling van een
wetenschappelijke methode kwamen.
[4] Dit argument houdt een denkfout in, stelt Sivin, met
name de veronderstelling dat als een bepaald criterium niet in een
bepaalde samenleving voorkwam, het geheel van veranderingen dat de
wetenschappelijke revolutie inhoudt evenmin kon gebeuren. Het is echter
zo dat, als men voldoende ver in de tijd teruggaat, er een periode
is geweest waarin geen van deze voorwaarden in het Westen voorkwam.
Een
tweede categorie van hypotheses verklaart het uitblijven van een wetenschappelijke
revolutie door te verwijzen naar het bestaan van bepaalde factoren
die een dergelijke verandering tegenspreken. In dit verband wordt
vaak gewezen naar “Het Boek Der Veranderingen” (I-Ching) waarin, onder
andere, een poging wordt gedaan de wereld op een dialectische manier
te verklaren op basis van 64 hexagrammen, waarbij cryptisch taalgebruik
geen uitzondering was. Volgens onder andere Needham was dit boek de
oorzaak van het feit dat de bestaande wetenschap geen verdere evolutie
kende, omdat het boek een manier van classificatie voorstelt die verder
onderzoek, gebaseerd op het opstellen en testen van hypotheses, onnodig
maakt. Sivin beschouwt dit argument als exemplarisch voor een tweede
drogreden, gebaseerd op het feit dat men hier een evolutie veronderstelt
waar er misschien geen was. Experimenteel testen van hypotheses was
immers geen praktijk die men in de Chinese wetenschapsbeoefening terugvindt.
In beide drogredenen wordt de veronderstelling gemaakt dat continuïteit
stilstand betekent.
Deze
twee categorieën antwoorden, die allebei steunen op een drogreden
gebouwd op de eerder aangehaalde veronderstellingen in verband met
de aard van de moderne wetenschap, leggen een bepaalde tendens bloot,
namelijk het zoeken naar een verklaring voor het uitblijven van een
wetenschappelijke revolutie in China in intellectuele factoren alleen,
of socio-economische factoren alleen. Om de vraag die hier centraal
staat in de mate van het mogelijke te behandelen is echter een ruimer
perspectief noodzakelijk, een perspectief dat de vele dimensies en
het ingewikkeld web van interrelaties waarin zij vervat zitten in
acht neemt.
[5] Dit is een project dat de doelstellingen en opzet
van deze tekst ruimschoots overstijgt. Daarom zal een laatste deel
beperkt worden tot het voorstellen van een aantal factoren die een
mogelijke, maar noodzakelijk gedeeltelijke, verklaring voor de specifieke
wetenschappelijke geschiedenis van China geven.
Tijdens
de renaissance werd de Griekse wetenschap (bv. Archimedes, Euclides)
‘herontdekt’, en het wekt dan ook geen verwondering dat een overzicht
van de ontwikkeling van de moderne wetenschap niet zelden heel wat
aandacht aan de Griekse wetenschap besteedt (Encyclopædia
Brittannica Online). Het is dan ook interessant
een vergelijking te maken tussen Chinese en Griekse wetenschap.
Een
eerste reeks van concepten die hierbij onder de loupe genomen kan
worden zijn Qi, (Ch’i), Yin-Yang, en de vijf fases [6] . Dit
zijn de elementen van een theorie over de aard van de natuur, en zijn
essentieel voor een goed begrip van de Chinese wetenschap. Bovendien
hadden zij politieke implicaties, aangezien de staat als een microkosmos
werd gezien, die aan dezelfde orde als de natuur was onderworpen.
Qi
is een onvertaalbaar begrip dat het best kan begrepen worden als de
vluchtige substantie waaruit alles is opgebouwd, en waarvan de natuurlijke
staat beweging is. Yin-Yang zijn dan systemen van functioneren, complementaire
processen die staan voor geven en nemen, terugtrekken en uitbreiden,
ontspannen en stimuleren en, wanneer toegepast op structuren, de buikzijde
en de rugzijde
[7] , hoog en laag, inwendig en uitwendig, vrouwelijk en
mannelijk en oud en jong. Dit houdt in dat het geen absoluut referentiesysteem
is, maar relatief en afhankelijk van de relatie die wordt bekeken.
Een jonge vrouw is Yin ten opzichte van een jonge man, maar Yang ten
opzichte van een oude man; de buikzijde is Yin ten opzichte van de
rug, maar Yang ten opzichte van de rug. Het menselijk lichaam, bijvoorbeeld,
heeft vijf Yin en zes Yang systemen van functioneren. De Qi wordt
dan getransformeerd door Yin en Yang tot de vijf fases; water en vuur
staan voor de meest intensieve aspecten van respectievelijk Yin en
Yang; metaal en hout voor de minder intensieve aspecten en water voor
een staat van harmonie waarin Yin en Yang elkaar neutraliseren. De
betekenisstructuur die uitgemaakt wordt door deze begrippen wordt
op verschillende domeinen toegepast, zoals politiek, fysica en geneeskunde.
Een lichaam waarvan hart en geest in harmonie zijn en de Qi vrij kan
bewegen is niet vatbaar voor ziekte, water dat niet beweegt is daarentegen
bedorven, en een staat waarin de deugdzaamheid van de leider statisch
wordt en het contact met de onderdanen wordt gehinderd zal vatbaar
zijn voor een heel aantal ziektebeelden. (Sivin, 1990, 1995)
De
impact van de manier waarop in China het universum wordt verklaard
is moeilijk in te schatten, maar heeft een specifiek karakter dat
ten dele de specifieke ontwikkeling van de Chinese wetenschap helpt
te begrijpen. Wat betreft de vergelijking met de Griekse wetenschap
maakt Sivin vier opmerkingen, die gebaseerd zijn op de bovenstaande
theorie.
1)
In de Griekse cultuur werd onenigheid en betwisting,
zowel in de natuurlijke filosofie als in de wetenschappen aangemoedigd,
terwijl in China de nadruk lag op consensus. [8]
2)
Deze verschillende opvattingen over het geprefereerde
karakter van gedachtenwisselingen laten zich ook merken in de sociale
structuur van de staat. Waar deze in China centraal en harmonieus
was of diende te zijn, bestond er in het oude Griekenland geen ideaal. [9]
3)
Dit uit zich ook op
een nog ander vlak; daar waar er in China een wederzijdse relatie
bestond tussen de inzichten van wetenschappers en de manier waarop
de staat werd bestuurd, stonden de Griekse intellectuelen niet in
rechtstreeks verband met de heersende klasse, wat ruimte biedt voor
een ontwikkeling van wetenschap gebaseerd op discussie.
4)
Deze positie van de
wetenschapper in de respectieve samenlevingen had tot gevolg dat de
idealen van respectievelijk onenigheid en harmonie in beide samenlevingen
optimaal konden worden nagestreefd.
Samengevat
lijken deze vier opmerkingen van Sivin een diepe demarcatie bloot
te leggen die niet alleen de wetenschappen maar ook tal van andere
culturele domeinen
[10] doorkruist. Dit kenmerk, dat noch oorzaak, noch gevolg
is, is het resultaat van de specifieke ontwikkeling van de Chinese
en de Griekse cultuur. (Sivin, 1995)
In
het eerste deel van deze voorstelling is opgemerkt dat de gedachte
dat de aanwezigheid of afwezigheid van een bepaalde factor of reeks
van factoren geen voldoende verklaring kan bieden voor het uitblijven
van een wetenschappelijke revolutie in China. Tot slot zouden we nog
aandacht willen besteden aan één van de factoren die vaak als essentieel
voor het tot stand komen van de moderne wetenschap wordt bekeken,
namelijk de gedachte dat vooruitgang wordt bereikt door een botsing
van ideeën waarbij uiteindelijk de meest rationele idee behouden blijft.
Het verband met de hierboven beschreven demarcatie mag duidelijk zijn.
Sivin
argumenteert in (1982) dat China wel degelijk zijn eigen wetenschappelijke
revolutie heeft gekend, waarbij hij revolutie wordt geïnterpreteerd
als de ontmoeting van oude met nieuwe, tegenstrijdige ideeën. In de
17e eeuw vonden Europese wiskunde en mathematische astronomie
hun weg naar China, voornamelijk via de aanwezigheid van Jezuïeten.
Deze nieuwe inzichten vonden snel hun ingang in het Chinese denken,
maar hadden niet het effect dat men, vanuit een Europees perspectief,
zou kunnen verwachten. Het leidde niet tot een totale omverwerping
van de bestaande astronomische ideeën, noch naar een andere opvatting
van de aard van het universum. Er vond, met ander woorden, geen omwenteling
plaats zoals de mathematisering van hypotheses door Galileo in Europa
had veroorzaakt. Eén van de effecten was in tegendeel een hernieuwde
aandacht voor traditionele astronomie, waarbij de nieuwe waarden eerder
werden gebruikt om oude waarden te bevestigen. Het ideaal van harmonie
lijkt hier te spelen, maar Sivin wijst ook op de socio-politieke structuur
waarin deze nieuwe inzichten terechtkwamen. Enerzijds bestond wetenschap
in China niet als het autonome domein, los van de staatsstructuur,
die zij had veroverd in Europa. Harmonie speelde niet alleen in de
relaties tussen wetenschappers onderling, maar ook tussen wetenschappers
en de heersende klasse. Uitwisseling van gedachten tussen wetenschappers
was bovendien geen gevestigde praktijk, vermits de sociale plaats
van de Chinese wetenschapper grondig verschilde van die van zijn Europese
tegenhanger. Anderzijds vinden revoluties, zo stelt Sivin, plaats
in de marge. De nieuwe ideeën die in China ingang vonden werden echter
opgenomen door wetenschappers die stevig geworteld waren in de dominante
waarden van hun maatschappij. Van revolutie als omverwerping van bestaande
theorieën en vervanging van deze oude ideeën door fundamenteel nieuwe
inzichten was dan ook geen sprake (Sivin, 1982).
Besluitend
kan dus worden gesteld dat de vraag ‘Waarom is er in China geen moderne
wetenschap ontstaan, ondanks het feit dat de nodige elementen ervoor
aanwezig waren’ door Sivin ontmaskerd is als een ongeldige vraag die
geworteld is in Europese vooronderstellingen die ten onrechte een
universeel karakter toegeschreven krijgen. De meer legitieme vraag
naar de verschillen die aan de oorsprong liggen van de verschillende
evoluties van wetenschap in China en het westen kan bovendien niet
beantwoord worden door te wijzen op één of enkele factoren, maar moet
diverse domeinen als politiek, maatschappij, wetenschap en levensbeschouwelijke
opvattingen in een analyse integreren. Eén van de elementen die hierin
mogelijks een rol speelt is wat nader bekeken, met name het ideaal
van consensus dan wel confrontatie. Dit kan echter maar het begin
van een verklaring zijn, vermits een diepgaandere analyse vereist
is, iets wat het doel van deze tekst ruimschoots overtreft.
[11]
Bibliografie:
Ho,
P., Y. ( 1995) Changing Perspectives in Historical Studies of the
History of East Asian Science. In: East Asian Science: Tradition
and Beyond. Osaka: Kansai University Press, 7-16.
Neckebroeck,
V. s.d., s.n. Cursusnota’s Anthropology of Religion.
Sivin,
N. (1982) Why the Scientific Revolution Did Not Take Place in China
– or Didn’t It? in Ghuohao, L., Zhang, M. en Cao, T. Exploration
in the History of Science and technology in China. Shangai: Chinese
Classsics Publishing House. 89-106.
Sivin,
N. (1990) Science and Medicine in Chinese History. in Ropp,
P.S. (ed.). Heritage of China: Contemporary Perspectives on Chinese
Civilisation. Berkeley: University of California Press: 164-196.
Sivin,
N. (1995) Comparing Greek and Chinese Science. In East Asian
Science: Tradition and Beyond. Osaka: Kansai University Press, 23-31.
Van
der Veken, J. (1986) Denken aan al wat is. Een hedendaagse fundamentele
wijsbegeerte. Leuven: universitaire Pers.
Internetbronnen:
[1] Dit werk is nog niet voltooid, en wordt
verdergezet door het Needham Research Center . Het volume waarin Needham
een antwoord zou formuleren op zijn ‘raadsel’ (Volume VII: The Social Background) bestaat tot op heden uit slechts
één bijdrage: Language and Logic van Christof Harbsmeier
(The Needham Homepage).
[2] En niet alleen in de populaire media,
getuige daarvan het volgend citaat uit het artikel over “de buskruit
revolutie” (Encyclopædia Brittannica
Online): “Technologically, gunpowder bridged the gap between the medieval
and modern eras.”
[3] Voor alle duidelijkheid
dient hier te worden opgemerkt dat het niet zozeer de vraag hoe het
komt dat China geen wetenschappelijke revolutie heeft gekend is die
Sivin als niet legitiem beschouwt maar de vraag waarom dit niet is
gebeurd als er een aantal noodzakelijke voorwaarden vervuld waren.
[4] Sivin merkt hierbij op
dat daarbij niet in acht wordt genomen dat Bacon’s theorie scholastisch
was, en voor wat betreft de vooruitgang van wetenschappelijke kennis
uiteindelijk geen grote bijdrage betekende, in tegenstelling tot zijn
ideeën over de organisatie en ideologie van wetenschappelijke activiteit.
[5] De groeiende aandacht
die de geschiedenis van de wetenschap in China, zowel vanuit een emisch
en etisch perspectief (Ho, 1995), kan Sivins voorstel enkel maar ten
goede komen.
[6] ‘De vijf fases’ worden
niet zelden vertaald als ‘de vijf elementen’, naar analogie met de
4 elementen van Aristoteles (Encyclopædia
Brittannica Online ). Deze vertaling lijkt daarom
beide theorieën te zeer als gelijkend op elkaar te benaderen.
[7] Eigen vertaling van ‘ventral’
en ‘dorsal’.
[8] De aanmoediging van betwistingen
lijkt mij ook één van de belangrijke eigenschappen te zijn van de
moderne wetenschap. In een recent televisieprogramma, uitgezonden
door de Nederlandse Omroep Stichting, werd bijzonder veel aandacht
besteedt aan de grote discussies waarin Einstein en andere wetenschappers
verwikkeld waren bij het zoeken naar de aard van het heelal. Wat daarin
bijzonder opviel was de nadruk die gelegd werd op het vruchtbare karakter
van deze, soms hoogoplopende, discussie. Dit voorbeeld lijkt mij bovendien
geen uitzondering te zijn.
[9] Hierbij kan opgemerkt
worden dat de totstandkoming van de moderne wetenschap wel gepaard
ging met het tot stand komen van het ideaal van eenheid van bestuur.
Het komt mij echter voor dat de moderne wetenschap zich dan echter
al als autonoom domein had gevestigd, relatief los van elk staatsverband.
[10] Het is nog maar de
vraag of het gerechtvaardigd is dit onderscheid in verband met de
Chinese context te maken.
[11] Eén van de domeinen
die hier niet ter sprake is gekomen verdient toch nog enige aandacht.
De configuratie van de westerse wetenschappen, ingedeeld in verschillende
domeinen (waarbij de invloed van bijvoorbeeld maar niet alleen het
Cartesiaans dualisme erg duidelijk is) maar verenigd onder het toezicht
van filosofie en wetenschapsleer, is niet terug te vinden in China,
waar wetenschappelijk denken niet beperkt bleef tot wat in Europa
rationeel denken wordt genoemd, maar waar esthetische perceptie, ethiek,
zintuiglijke ervaring en verbeelding niet hiërarchisch ten opzichte
van elkaar werden gerangschikt.
|