Maakt
de studie van het menselijke genoom een einde aan de mythe van menselijke
‘rassen’?
Nieuwe hersenstudie toont hoe diep het begrip
‘ras’ in het menselijke denken geworteld zit - 07-09-2000
Dankzij
het genoom-project is het inzicht in de genetische structuur van
de mensheid met sprongen vooruit gegaan. Een van de ‘neveneffecten’
van het onderzoek is dat de these dat het onderscheid tussen de
verschillende menselijke rassen geen biologische basis heeft, bijna
algemeen wordt geaccepteerd. Recent hersenonderzoek toont echter
dat het concept ‘ras’ erg diep geworteld is.
Desondanks
is ‘ras’ een relatief nieuw begrip, dat pas in de laatste 200 jaar
werd ontwikkeld. Het ontstond in het zog van de classificatie-drang
die de werkzaamheden van Linnaeus veroorzaakten. Ook mensen moesten
nu geclassificeerd worden op basis van uiterlijke kenmerken. Ondanks
wat vaak gedacht wordt had de opkomst van de rassenleer weinig te
maken met slavernij. Integendeel, het verzet tegen slavernij was
al enige tijd aan de gang vooraleer de rassenwetenschap op het wetenschappelijke
toneel verscheen. Opmerkelijk is dat daarbij vrijwel onmiddellijk
een hiërarchische indeling werd gebruikt. Mettertijd namen de criteria
en theorieën in aantal toe, maar de hiërarchische component, die
‘rassen’ rangschikte naar ontwikkelingsniveau, bleef steeds (impliciet)
aanwezig. In elk van de raciale theorieën wordt ervan uitgegaan
dat de geobserveerde uiterlijke verschillen correleren met andere
kenmerken als intelligentie, seksueel gedrag, competentie en andere.
Een
steeds ruimer wordende consensus.
De idee dat ‘rassen’ niet bestaan is niet nieuw, maar werd door
de Amerikaanse antropoloog Ashley Montagu al in 1942 voorgesteld
in zijn boek ‘Man’s most dangerous myth: the fallacy of race’. Deze
publicatie is nog steeds relevant en in 1996 verscheen nog een zesde,
aangevulde editie. Montagu was met deze publicatie zijn tijd ver
vooruit en streed jarenlang als een eenzame Don Quichote tegen de
windmolens van de gevestigde wetenschap. Dankzij de ontrafeling
van het menselijke genoom is nu echter een ruime consensus gegroeid
rond de idee dat rassen eigenlijk niet bestaan .
Deze idee is lang erg controversieel geweest. Dat is niet verwonderlijk,
want een uitspraak als ‘rassen bestaan niet’ is geen bijster heldere
manier om de inzichten in deze kwestie voor te stellen. Correcter
is het om te stellen dat er geen biologische basis bestaat om de
mensheid in verschillende rassen op te delen. Als sociaal construct
is ‘ras’ daarentegen wel degelijk een realiteit. Dat neemt echter
niet weg dat de sociale definitie van ‘ras’ uitgaat van onderliggende
biologische variaties die kwalitatieve verschillen zouden veroorzaken.
En daar schuilt het probleem: de genetische variatie binnen
een groep is veel groter dan de genetische variatie tussen groepen
onderling. Die stelling werd al door Montagu opgeworpen en wordt
nu dus eindelijk bevestigd. Maar wat wordt er precies mee bedoeld?
Het lijkt immers contradictorisch. Betekent dit dat ik meer genetisch
materiaal gemeen heb met een inwoner van Ghana dan met een buurman?
Niet noodzakelijk. Het gaat immers niet om individuele maar om groepsverschillen.
Dat betekent dat de totale genetische variatie binnen één groep
(bv. de ‘blanken’) groter is dan de totale genetische variatie tussen
twee groepen (bv. ‘blank’ en 'zwart’). En dat verschil is niet gering:
schattingen stellen dat ongeveer 94% van de genetische variatie
binnen een groep te vinden is, terwijl groepsverschillen slechts
de overige 6% kunnen verklaren.
Deze idee is bovendien contra-intuïtief. Wij zijn eraan gewend geraakt
uiterlijke kenmerken als criterium te gebruiken om mensen
op te delen. En weinig dingen zijn zo opvallend als verschillen
in huidskleur, haarstructuur of vorm van de neus. Bovendien is het
duidelijk dat deze karakteristieken een biologische basis hebben,
zodat al snel besloten wordt dat de blanke en zwarte medemens fundamenteel
van elkaar verschillen. Maar huidskleur en andere uiterlijke kenmerken
die worden gebruikt om ‘rassen’ van elkaar te onderscheiden worden
bepaald door een bijzonder klein aantal genen, hoogstens 0,1% van
het totaal aantal genen. Dat verklaart overigens meteen waarom de
verschillen zo prominent kunnen zijn. Een klein aantal betrokken
genen maakt van aanpassing aan het milieu een weinig complex proces,
dat bovendien snel erfelijke effecten oplevert.
Huidskleur, toch een van de belangrijkste kenmerken waarop de mythe
van menselijke rassen gebaseerd is, wordt door slechts zes genen,
op een totaal van 100.000, geregeld. Bovendien heeft iedereen deze
zes genen gemeenschappelijk. Iedereen - en dit kan voor bepaalde
mensen schokkend zijn - bezit dus het potentieel om een zwarte huid
te ontwikkelen, wat in beperkte mate duidelijk wordt na een bezoekje
aan een zonnig strand. Vandaar dat bewoners van extreem warme gebieden
al snel een donkerder huid ontwikkelden als bescherming tegen UV-stralen,
terwijl voor noordelijker volkeren een bleke huid voordeliger was
omdat deze de opname van vitamine D bij bleker zonlicht makkelijker
maakt. Een zelfde redenering gaat op voor andere uiterlijke kenmerken.
Ook zij worden door een klein aantal genen geregeld die in het algemeen
gedeeld worden door de volledige mensheid, maar niet bij iedereen
eenzelfde effect sorteren.
De traditionele classificaties betwist
Hoe problematisch het concept ‘ras’ precies is wordt duidelijk als
de klassieke indeling wordt bekeken. Hoewel door de jaren
heen verschillende classificaties, de ene al uitgebreider dan de
andere, de ronde hebben gedaan was de verdeling tussen het ‘blanke’,
het ‘zwarte’ en het ‘gele’ ras een steeds terugkerende basis. Voor
het ‘zwarte’ ras werden dan meestal de karakteristieken donkere
huidskleur, kroezend haar en brede neus opgesomd en ook voor de
andere ‘rassen’ werd een min of meer vaste ‘set’ van criteria opgesteld.
In de praktijk blijkt echter dat deze categorieën niet houdbaar
zijn. Waar horen mensen met een brede neus maar steil haar bij?
Of met een lichtbruine huid? Aanvankelijk werd getracht dit probleem
op te lossen door meer ‘rassen’ of subclassificaties van rassen
te creëren. Maar ook dit blijkt niet houdbaar. Het grote probleem
daarbij is dat men een continuë reeks wil uitdrukken in discrete
categorieën. De uiterlijke verschillen die mensen van elkaar onderscheiden
zijn aanpassingen aan het milieu, en verschillen niet kwalitatief
van elkaar - zoals reeds opgemerkt deelt de mensheid in het algemeen
de genen die verantwoordelijk zijn voor deze verschillen - maar
variëren naar intensiteit. Het is dan ook biologische onzin discrete
categorieën als ras in stand te houden.
Discrete categorieën vereisen immers een aanzienlijk verschil in
genetische bagage. Dat is enkel mogelijk door een verschillende
evolutionaire afkomst of langdurige fysieke isolatie. De rassentheorieën
die in de 17e eeuw werden ontwikkeld en daarna de dienst bleven
uitmaken tot zij ‘besmet’ raakten door de nazi-ideologie, vertrokken
aanvankelijk van de idee dat de verschillende ‘mensenrassen’ zich
hadden ontwikkeld uit verschillende soorten ‘voorouders’. Ondertussen
is dankzij DNA-onderzoek aangetoond dat deze ‘multi-regio’ theorie
niet klopt. Volgens de Out of Africa-theorie, die momenteel het
meeste steun geniet, is de mens vrij recent uit Afrika geëmigreerd
en deelt de mensheid dezelfde afkomst.
De tweede hypothese - langdurige ruimtelijke isolatie - gaat evenmin
op. In tegenstelling tot de idee dat de wereld pas recent een ‘globaal
dorp’ geworden is; blijkt uit archeologisch materiaal dat er in
de geschiedenis steeds contact geweest is tussen ver van elkaar
verwijderde bevolkingsgroepen. En waar mensen elkaar ontmoeten worden
kinderen gemaakt. Dat betekent dat er steeds een significante mate
van seksueel contact is geweest tussen verschillende volkeren. Zelfs
over een van de volkeren die als het meest geïsoleerd beschouwd
wordt - de Australische Aboriginals - toont archeologisch materiaal
aan dat er frequent contact was met niet-Australische volkeren,
tot zelfs 50.000 jaar geleden. Het is dan ook erg onwaarschijnlijk
dat er ooit menselijke groepen hebben bestaan die meer dan enkele
eeuwen geïsoleerd geweest zijn. Ook hier is de conclusie dus dat
rassen niet bestaan - en nooit bestaan hebben.
De
sociale dimensie
‘Rassen’
zijn dus geen biologische realiteit. Het is een discussie die in
Europa minder prominent aanwezig is dan in de Vernigde Staten. Dat
is niet zo vreemd. ‘Ras’ is steeds een belangrijke realiteit geweest
in het zogenaamde ‘land of the free’. De loodzware erfenis van de
slavernij en de segregatiepolitiek hebben het concept altijd centraal
geplaatst. De opschorting van de rassenwetten is van recente datum,
wat weinig tijd overlaat om te wennen aan een wereld waarin ‘ras’
geen bepalende factor meer is. De ‘one-drop rule’, die werd ingevoerd
om het classificatieprobleem dat ‘multiraciale’ nakomelingen opleverden
en stelt dat een druppel ‘zwart’ bloed voldoende is om van het ‘zwarte
ras’ te zijn, heeft ervoor gezorgd dat het rasconcept steeds prominent
aanwezig was, bijvoorbeeld in volkstellingen. Bovendien zijn heel
wat mensen gekant tegen de positieve actiemaatregelen die door de
overheid werden opgelegd om de sociale achterstand bij de Afro-Amerikanen
weg te werken. Tenslotte zijn er in de VS, en ook in Canada, nog
heel wat wetenschappers die van raciale categorieën vertrekken in
hun onderzoek en verschijnen er nog steeds publicaties waarin boude
uitspraken worden gedaan over ‘de Aziaten’ of ‘het zwarte ras’.
Maar ook in ons land ligt de zaak gevoelig. Niet alleen veroorzaakt
het in twijfel trekken van raciale categorieën steeds verbazing,
weekbladen die de problematiek toch onder de aandacht brengen kunnen
zich steevast verwachten aan een vloed lezersbrieven. In een recent
artikel van het tijdschrift Knack uitte de sociobioloog Kris Thienpont
zijn twijfels over de biologisch grond van het rasconcept en ook
hier werd op gereageerd, steevast met de melding dat het overduidelijk
is dat ‘rassen’ bestaan want dat dat kan “gezien worden”. Dat daarbij
vaak verwezen wordt naar de terreur van de politieke correctheid
doet minder onverdachte motieven vermoeden. De conclusies waarrond
nu een consensus is gegroeid zijn gebaseerd op een groot aantal
studies uit verschillende wetenschappelijke discplines. Wetenschappers
als Ashley Montagu hebben jarenlang moeten opboksen tegen de heersende
opinies en zien hun inzet pas zeer recent beloond. De bewijslast
is nu omgedraaid en het zijn de voorstanders van het behoud van
de rassenclassificatie die een manier zullen moeten vinden om aan
te tonen op basis van welke criteria die classificatie dan wel zou
moeten gebeuren. Maar 200 jaar raciaal denken wist men uiteraard
niet onmiddellijk uit en voor een grote meerderheid is ‘ras’ nog
steeds een realiteit.
Tot deze vaststelling kwamen ook twee Amerikaanse studies, die voor
het eerst nagingen welke effecten in de hersenen het waarnemen van
raciale verschillen veroorzaken. Beide studies concentreerden zich
op de amygdala, een cluster van zenuwen die zich diep in elke hersenhelft
bevindt en betrokken wordt bij sterke emoties, het geheugen en leerprocessen.
De amygdala werkt als een soort van alarmcentrale, die de aandacht
trekt als nieuwe, opwindende of belangrijke zaken zich aandienen.
In een eerste studie werd de amygdala-activiteit gemeten terwijl
een proefpersoon foto’s van donkere en blanke mensen te zien krijgt.
Bij blanken is een verhoogde activiteit meetbaar wanneer zij geconfronteerd
worden met foto’s van Afro-Amerikanen en vice versa.
Deze observaties worden bevestigd door een tweede, soortgelijk onderzoek.
Bovendien ging deze proef ook de onbewuste associaties na die opgeroepen
worden door de presentatie van foto’s van mensen van een verschillend
‘ras’. Daartoe werd de proefpersonen gevraagd foto’s te klasseren
en tegelijk woorden die op een computerscherm verschenen als (moreel)
goed of slecht te kwalificeren. Uit dit experiment blijkt dat een
meerderheid van de ‘blanken’ en de helft van de ‘zwarte’ proefpersonen
eerder geneigd zijn een woord als positief te evalueren als zij
op dat moment geconfronteerd worden met een foto van een ‘blanke’.
Deze antwoorden liggen buiten het bewustzijn en het effect was ook
aanwezig bij mensen die er een open en antiracistische houding op
nahouden.
Hoewel deze resultaten slechts een eerste aanzet kunnen vormen voor
verder onderzoek blijkt dat het concept ‘ras’ een aanzienlijke invloed
uitoefent op hoe de werkelijkheid wordt waargenomen.
De opdeling van de mensheid in ‘rassen’ heeft vooral ellende opgeleverd.
Het heeft de aanzet gevormd tot een van de grootste tragedies van
de moderne tijd, maar is ook in het verleden een legitimatie geweest
voor discriminatie, oorlogen, sociale achterstelling en geweld.
Nu in de wetenschap, op een minderheid na, algemeen geaccepteerd
wordt dat er geen enkele objectieve basis bestaat om deze opdeling
op te baseren kan misschien een begin gemaakt worden van een mentaliteitsverandering,
die ongetwijfeld erg veel tijd zal vragen maar die uiteindelijk
een van de meest gevaarlijke mythes de wereld uit kan helpen. (DdV)
Related links:
De
race gallery verzamelt een aantal artikels over ‘ras’.
Een korte samenvatting over de historische ontwikkeling van het
rasconcept
Een verzameling links en bronnenmateriaal over
’ras’ in de wetenschap
©
David de Vaal