Reusachtig
Sumerische begraafplaats blootgelegd
Opgravingen in Umm al-Ajarib - 24-10-2000
In
Irak zijn archeologen begonnen met opgravingen van een bijzonder grote
Sumerische begraafplaats. Het 5000 jaar oude kerkhof is meer dan 3
vierkante kilometer groot en herbergt waarschijnlijk enkele honderdduizenden
graven.
De
begraafplaats ligt 400 kilometer ten zuiden van Bagdad en werd in
1886 voor het eerst door een westerling bezocht. William Hayes Ward
stond toen versteld van de grootte van het kerkhof en veronderstelde
dat het hier om heilige grond moest gaan. Sindsdien was er zo goed
als geen onderzoek naar de site gedaan, maar sinds enkele maanden
is een team archeologen van de universiteit van Bagdad, onder leiding
van Donny Youkhanna, aan de excavatie begonnen.
Het onherbergzame, vegetatieloze gebied was even voordien vooral een
toevluchtsoord voor schorpioenen, die massaal hun intrek hadden genomen
in de oude graven. De site dankt er zelfs haar naam aan: Umm al-Ajarib
of de Moeder der Schorpioenen. Grafrovers werden echter niet afgeschrikt
door de plaatselijke fauna. Hoewel moeilijk valt in te schatten hoeveel
objecten verdwenen zijn, is de schade enorm.
De onderzoekers hebben voorlopig nog geen zicht op de hoeveelheid
graven die over het gebied verspreid liggen. Dat zal duidelijker worden
als alle brokstukken uit een representatief gebied verwijderd zijn
en dit vierkant grondig onderzocht is, maar waarschijnlijk gaat het
over enkele honderdduizenden graven. Die worden doorkruist door talloze
wegeltjes, waartussen schelpen, kralen, aarde- en beeldhouwwerk verspreid
liggen. Echt belangrijk artefacten zijn nog niet gevonden en ook objecten
die betere inzichten in de geschiedenis van de begraafplaats bieden
blijven voorlopig wat achterwege.
De begraafplaats zou ongeveer 5000 jaar oud zijn, maar werd waarschijnlijk
tijdens een lange periode gebruikt. Sumer, gesitueerd in de laagvlakten
van Tigris en Eufraat, werd aanvankelijk bewoond door Ubaidianen,
naar de stad Al-Ubaid, waar overblijfselen van dit volk werden aangetroffen.
Zij deden aan landbouw en ontwikkelden handelsrelaties. Toen ook Semitische
volkeren zich in Mesopotamië vestigden, ontstond door de vermenging
van de verschillende culturen een rijke pre-sumerische beschaving.
Over het tijdstip van aankomst van de Sumeriërs zijn de meningen verdeeld.
Sommigen gewagen van 5000 v. chr. terwijl anderen het op 3300 v. chr.
houden. Hoe dan ook waren er sinds het begin van het derde millenium
v. chr. minstens 12 stadstaten in de regio, waaronder Ur, Umma en
Bad-tibira. Elk van deze steden bestond uit een ommuurde stadskern,
met de daarbuiten gelegen dorpen en landerijen. De politieke macht
was aanvankelijk in handen van de burgers, maar naarmate de spanningen
tussen de stadstaten steeg, werd meer en meer overgeschakeld naar
een bestuur waarvan een koning de leiding op zich nam.
Na de grote vloed, sloegen een aantal koninkrijken erin anderen in
te lijven. De eerste koning die er in sloeg de verschillende koninkrijken
onder een banier te scharen was Etana, maar de belangrijkste was ongetwijfeld
Sargon. Hoewel diens dynastie niet lang standhield, verenigde hij
de stadstaten die na een periode van desintegratie opnieuw onafhankelijk
waren geworden en installeerde hij een regeermodel dat in het Midden-Oosten
grote invloed had. Ook daarna volgt er een periode van verval en reintegratie,
die culmineert in de derde dynastie van Ur. Na 1900 v. chr. veroveren
de Amorieten Mesopotamië en komt er voorgoed een einde aan het Sumerische
rijk.
De invloed van de Sumerische cultuur bleek echter onuitwisbaar. Niet
alleen door de ‘uitvinding’ van het wiel en het schrift, waar de Sumeriërs
doorgaans het krediet voor mogen ontvangen. Ook religieuze denkbeelden
leven, tot op de dag van vandaag, verder. Zo hebben heel wat elementen
van de Sumerische mythologie hun weg gevonden naar het Oude Testament
en dan vooral naar het boek Genesis.
En ook de opvattingen over dood en ziekte zullen devote katholieken
bekend in de oren klinken. Ongeluk was het gevolg van zonden en de
goden van de Sumeriërs waren niet alleen in staat tot het goede, maar
toonden af en toe ook hun minder fraaie kanten. Op steun van een beledigde
god moest niet gerekend worden. Anders dan christenen, konden de Sumeriërs
zich niet verheugen in een hiernamaals waar het goed toeven is. Het
leven na de dood was er een zo goed als onverkend thema en de dood
werd niet gevolgd door een morele eindafrekening. In het algemeen
werd de dood als iets schrikbarends en essentieel slechts bekeken.
De doden nemen dan ook een vooraanstaande plaats in de Sumerische
demonologie in.
Ook al werd er niet echt uitgekeken naar een bestaan aan gene zijde
van het leven, toch werden er grafgeschenken meegegeven. Dat gebruik
had waarschijnlijk weinig te maken met eerbetoon aan de overlevenden,
maar diende eerder als zoenoffer om de doden rustig te houden. In
Umm al-Ajarib werden zo al ivoren cylindrische zegels, konische kommen
en vazen, waarvan sommigen met inscriptie, teruggevonden. Echt opzienbarende
vondsten blijven voorlopig echter uit. Op de begraafplaats zelf na,
natuurlijk. (DdV)
Related links:
©
David de Vaal