Hoe
de Egyptenaren de sterren als oriëntatiepunt gebruikten
En wat de sterren waarschijnlijk niet zeggen
over de piramides - 24-11-2000
Er
is al vaak een verband getrokken tussen de piramides en de sterren.
Soms geeft dat aanleiding tot de meest fantastische bedenksels, maar
af en toe kan het ook bijdragen aan de wetenschappelijk verantwoorde
kennis van deze gigantische graftombes.
De
sterren als peillood
In een artikel in het meest recente nummer van het wetenschappelijke
tijdschrift Nature, tracht Kate Spence aan te tonen dat de Egyptenaren
de piramides oriënteerden met behulp van de sterren. Dat nieuws heeft
ongetwijfeld heel wat wenkbrauwen doen fronsen: waar ‘piramides’ en
‘sterren’ in een zin worden gebruikt, volgen al snel de woorden ‘Atlantis’
en ‘vliegende schotels’.
Niets van dit alles echter in de tekst van Spence en haar resultaten
worden dan ook voorzichtig enthousiast onthaald door de Egyptologische
gemeenschap. Spence vertrekt van de vaststelling dat vooral de piramide
van Cheops, de grootste en bekendste piramide van de Gizeh-formatie,
opmerkelijk weinig afwijking vertoont ten opzichte van het noorden.
De afwijking bedraagt minder dan 3 boogseconden, minder dan 3/3600
van een graad. Totnogtoe bleek het erg moeilijk te verklaren hoe de
oude Egyptenaren een dergelijk hoge graad van precisie konden bereiken,
vooral omdat algemeen wordt aangenomen dat zij weliswaar een zekere
interesse aan de dag legden voor de hemellichamen, maar geen diepgaande
kennis omtrent dit onderwerp hadden opgebouwd.
Bovendien volstaat het niet zich te richten op de poolster, vanwege
het simpele feit dat dé poolster niet bestaat. De aarde roteert immers
niet alleen om haar eigen as, die as zelf maakt ook een beweging.
De tolbeweging van de rotatieas van de aarde wordt precessie genoemd
en voltooid in ongeveer 26.000 jaar een cyclus. Het gevolg van precessie
is dat de circumpolaire sterren geen vaste positie innemen. Op dit
moment is de poolster (Polaris) het beste richtpunt om het noorden
te vinden, maar de afwijking wordt steeds groter zodat in een verre
toekomst de ster Vega tijdelijk dienst zal kunnen doen. En binnen
26.000 jaar zal de poolster opnieuw het noorden aanwijzen.
De circumpolaire sterren werden in Egypte Ikhemu-sek genoemd, wat
‘de onverwoestbaren’ betekent. Daarmee werd verwezen naar het feit
dat deze sterren nooit ondergaan en toont dan ook aan dat de Egyptenaren
over een rudimentaire astronomische kennis beschikten. Om religieuze
redenen was het noodzakelijk dat de toegang naar de circumpolaire
sterren vrij bleef en er kan dus aangenomen worden dat aan de oriëntatie
van de piramides heel wat aandacht werd besteed.
Toen de piramides in het Oude Rijk (2613-2125 v. chr.) werden gebouwd
was er geen poolster voor handen. De Egyptenaren namen volgens Spence
twee andere, heldere sterren als uitgangspunt: Kochab in het sterrenbeeld
Kleine Beer en Mizar in de Grote Beer. In 2467 v. Chr. vormden deze
twee sterren samen met het noorden een perfecte lijn. In dat jaar
was het dus perfect mogelijk het noorden te vinden dankzij de sterrenhemel.
Wat Spences analyse nog meer geloofwaardigheid verschaft is dat alleen
de oriëntatie van de piramide van Cheops een grote precisie haalt.
Andere piramides vertonen een grotere afwijking, die bovendien toeneemt
naarmate men piramides beschouwt die op een later tijdstip werden
gebouwd.
Het lijkt dus mogelijk om de stand van de sterren als dateringstechniek
te hanteren, een techniek die bovendien heel wat nauwkeuriger blijkt
dan wat totnogtoe mogelijk was. Spence komt zo met data op de proppen
die tot op 5 jaar precies de start van de bouw van de piramide van
Cheops aangeeft: 2480 v. chr. Dit tijdstip valt binnen het honderdjarige
interval waarin de traditionele Egyptologie steeds aannam. Dit vakgebied
lijkt zich dan ook niet te verzetten tegen Spences veronderstellingen,
ook al wordt dadelijk opgemerkt dat verder onderzoek noodzakelijk
is en dat historische gegevens opnieuw onderzocht moeten worden met
deze conclusie in het achterhoofd. Spence zelf is trouwens de eerste
om deze opmerking te maken en zal zich in de toekomst ook aan dit
soort onderzoek wijden.
Miskende
genieën of charlatans?
Kate Spence was natuurlijk niet de eerste om een verband tussen het
bovenaardse en de piramides te leggen. De bekendste theorie die dit
verband onderzoekt is ettelijke jaren ouder: de Orion-connectie van
Graham Hancock en de Belg Robert Bauvall. Beiden hebben een aantal
populaire werken op hun naam staan en hun theorie werd uitvoerig belicht
in een aantal sterk gemediatiseerde televisieprogramma’s. Hun boeken
werden bestsellers en werden meerdere keren vertaald, onder andere
in het Nederlands. Ook de programma’s werden druk bekeken en Canvas
zond de bewuste reportage zelfs een aantal keren uit, kaderend in
een reeks waarin overigens ook te zien is hoe Hancock de Ark des Verbonds
in Ethiopië terugvindt, maar ze helaas niet te zien krijgt.
Hancock en Bauvall vinden in de Gizeh-piramides de kennis van een
lang verdwenen beschaving terug en aarzelen niet hierbij te verwijzen
naar Atlantis. Hun hypothese steunt op een aantal argumenten, waarvan
de Orion-connectie er een is. Volgens hen verwijst de opstelling van
de Gizeh-piramides naar de drie helderste gordelsterren van het sterrenbeeld
Orion in 10.500 v. chr., ongeveer 8000 jaar dus vooraleer de piramides
daadwerkelijk gebouwd werden. Daarnaast wijzen zij erop dat de piramides
een indrukwekkende wiskundige en technologische kennis vereisten,
die op het moment dat zij gebouwd werden niet beschikbaar was. Daarnaast
zou de Sfinx een ander overblijfsel uit deze lang vervlogen periode
zijn en zou de kennis van ‘Atlantis’ ook haar weg gevonden hebben
naar het Zuidamerikaanse continent.
Vermits er geen enkele archeologische vondst verwijst naar een lang
vervlogen beschaving wordt de theorie van Bauvall en Hancock op zijn
best op scepsis onthaald. Maar wanneer een verbinding gemaakt wordt
tussen tot de verbeelding sprekende thema’s als Atlantis, de piramides,
en de sterren ziet men zich verzekerd van aandacht en de Hancock-Bauvall
hypothese kreeg de voorbije jaren heel wat aandacht. Dany Vanbeveren
en Hugo Sol zagen zich zelfs genoodzaakt een boek samen te stellen
om deze hypothese kritisch te onderzoeken (Piramides in de Kosmos.,
VUBPress, 2000) en het toonaangevende BBC-programma Horizon besteedde
een volledige uitzending aan het ontkrachten van de veronderstellingen
van Hancock en Bauvall.
Opmerkelijk genoeg is de Orion-connectie een van de minst omstreden
argumenten die beide auteurs gebruiken. Ten minste, als men plaats
laat voor enige nuances. Zo wijst een schacht die vanuit de Koningskamer
vertrekt naar de buitenkant van de piramide van Cheops inderdaad naar
de Orion-sterren, maar is de richting slechts bij benadering correct.
Bovendien beweren Hancock en Bauvall dat in het oorspronkelijke opzet
het volledige Orion-sterrenbeeld voor ogen werd gehouden, terwijl
het hoogst onzeker is dat de Egyptenaren dit sterrenbeeld als dusdanig
kenden. Daarnaast gebruikten beide auteurs een onnauwkeurige programma
om de beweging van de hemellichamen na te gaan, kloppen de verhoudingen
tussen de piramides die zij bij hun Orion-hypothese betrekken niet
met de verhoudingen tussen de betrokken sterren en is bij de tientallen
andere piramides die in de Nijl-vallei te vinden zijn geen enkel verband
met sterrenbeelden te vinden. Bovendien is het helemaal niet zo onmogelijk
piramides te bouwen met de technologie die in 2480 v. chr. voor handen
was. Er is een duidelijke evolutie merkbaar in de bouw van piramides,
waaruit blijkt dat ook trial-and-error tot het instrumentarium van
de piramidebouwers behoorden. Zo verbazen Hancock en Bauvall zich
over de precieze graad van de helling van de piramides, maar vermelden
zij de ‘knikpiramide’ van Snofroe niet, die ouder is dan de Cheops-piramide
en waar de helling tijdens het bouwproces werd gewijzigd om instorting
te voorkomen, noch de eveneens oudere trappenpiramide van Djoser.
Het onderzoek van Kate Spence heeft echter ook Hancock en Bauvall
bereikt. Op de website
van Hancock werd al gereageerd op haar onderzoeksresultaten en beweert
Bauvall dat hij eerder dezelfde conclusies had getrokken. Bauvall
merkt wel op dat het feit dat de Egyptenaren de lijn tussen Kochab
en Mizar als hulpmiddel bij de oriëntatie gebruikten en dat de afwijking
tussen de piramides te danken is aan precessie Spences eigen vondsten
zijn. Zonder afbreuk te doen aan de bewering van Bauvall dat hij als
eerste de sterren als dateringsmethodes gebruikt, kan toch opgemerkt
worden dat het onderzoek van Spence heel wat minder verregaande gevolgtrekkingen
koppelt aan de relatie tussen hemellichamen en de piramides. Bovendien
lijkt het eerder een falsificatie van de Orion-hypothese in te houden.
Als de Egyptenaren hun kennis te danken hadden aan een oude en geniale
samenleving, vanwaar dan de fouten? Het lijkt wel erg onwaarschijnlijk
dat de piramidebouwers deze fouten gebruikten als dateringsmethode,
zoals Bauvall beweert.
Het bewuste BBC Horizon-programma werd door Bauvall en Hancock aangeklaagd
wegens partijdigheid en, voor het eerst in de geschiedenis van Horizon,
werden twee van de klachten gegrond bevonden door de Britse Broadcasting
Standards Commission (BSC). Dat leidde uiteraard tot triomfantelijke
berichten op de website van Hancock. Toch wees de BSC het merendeel
van de klachten af en oordeelde het alleen over de gebruikte methodes
van de programma-makers. De ontvankelijk verklaarde klacht blijkt
bovendien een argument te betreffen waarvan Dany Vanbeveren en Hugo
Sol de validiteit in vraag stellen, maar waar zij wel een aantal eveneens
met de Hancock-Bauvall-hypothese strijdige alternatieven voor presenteren.
Op 14 december zal Horizon een aangepaste versie van het programma
uitzenden, waarin tegemoet zou worden gekomen aan de opmerkingen van
de BSC. Benieuwd hoe stevig de Atlantis-connectie dan nog zal zijn...
(DdV)
Related links:
De piramides
De website van Graham Hancock
©
David de Vaal