(Opgelet: deze artikels werden voor 2002 geschreven en zijn dus mogelijk gedateerd)

Hoe de Egyptenaren de sterren als oriëntatiepunt gebruikten
En wat de sterren waarschijnlijk niet zeggen over de piramides - 24-11-2000

Er is al vaak een verband getrokken tussen de piramides en de sterren. Soms geeft dat aanleiding tot de meest fantastische bedenksels, maar af en toe kan het ook bijdragen aan de wetenschappelijk verantwoorde kennis van deze gigantische graftombes.

 

De sterren als peillood

In een artikel in het meest recente nummer van het wetenschappelijke tijdschrift Nature, tracht Kate Spence aan te tonen dat de Egyptenaren de piramides oriënteerden met behulp van de sterren. Dat nieuws heeft ongetwijfeld heel wat wenkbrauwen doen fronsen: waar ‘piramides’ en ‘sterren’ in een zin worden gebruikt, volgen al snel de woorden ‘Atlantis’ en ‘vliegende schotels’.

Niets van dit alles echter in de tekst van Spence en haar resultaten worden dan ook voorzichtig enthousiast onthaald door de Egyptologische gemeenschap. Spence vertrekt van de vaststelling dat vooral de piramide van Cheops, de grootste en bekendste piramide van de Gizeh-formatie, opmerkelijk weinig afwijking vertoont ten opzichte van het noorden. De afwijking bedraagt minder dan 3 boogseconden, minder dan 3/3600 van een graad. Totnogtoe bleek het erg moeilijk te verklaren hoe de oude Egyptenaren een dergelijk hoge graad van precisie konden bereiken, vooral omdat algemeen wordt aangenomen dat zij weliswaar een zekere interesse aan de dag legden voor de hemellichamen, maar geen diepgaande kennis omtrent dit onderwerp hadden opgebouwd.

Bovendien volstaat het niet zich te richten op de poolster, vanwege het simpele feit dat dé poolster niet bestaat. De aarde roteert immers niet alleen om haar eigen as, die as zelf maakt ook een beweging. De tolbeweging van de rotatieas van de aarde wordt precessie genoemd en voltooid in ongeveer 26.000 jaar een cyclus. Het gevolg van precessie is dat de circumpolaire sterren geen vaste positie innemen. Op dit moment is de poolster (Polaris) het beste richtpunt om het noorden te vinden, maar de afwijking wordt steeds groter zodat in een verre toekomst de ster Vega tijdelijk dienst zal kunnen doen. En binnen 26.000 jaar zal de poolster opnieuw het noorden aanwijzen.

De circumpolaire sterren werden in Egypte Ikhemu-sek genoemd, wat ‘de onverwoestbaren’ betekent. Daarmee werd verwezen naar het feit dat deze sterren nooit ondergaan en toont dan ook aan dat de Egyptenaren over een rudimentaire astronomische kennis beschikten. Om religieuze redenen was het noodzakelijk dat de toegang naar de circumpolaire sterren vrij bleef en er kan dus aangenomen worden dat aan de oriëntatie van de piramides heel wat aandacht werd besteed.

Toen de piramides in het Oude Rijk (2613-2125 v. chr.) werden gebouwd was er geen poolster voor handen. De Egyptenaren namen volgens Spence twee andere, heldere sterren als uitgangspunt: Kochab in het sterrenbeeld Kleine Beer en Mizar in de Grote Beer. In 2467 v. Chr. vormden deze twee sterren samen met het noorden een perfecte lijn. In dat jaar was het dus perfect mogelijk het noorden te vinden dankzij de sterrenhemel.

Wat Spences analyse nog meer geloofwaardigheid verschaft is dat alleen de oriëntatie van de piramide van Cheops een grote precisie haalt. Andere piramides vertonen een grotere afwijking, die bovendien toeneemt naarmate men piramides beschouwt die op een later tijdstip werden gebouwd.

Het lijkt dus mogelijk om de stand van de sterren als dateringstechniek te hanteren, een techniek die bovendien heel wat nauwkeuriger blijkt dan wat totnogtoe mogelijk was. Spence komt zo met data op de proppen die tot op 5 jaar precies de start van de bouw van de piramide van Cheops aangeeft: 2480 v. chr. Dit tijdstip valt binnen het honderdjarige interval waarin de traditionele Egyptologie steeds aannam. Dit vakgebied lijkt zich dan ook niet te verzetten tegen Spences veronderstellingen, ook al wordt dadelijk opgemerkt dat verder onderzoek noodzakelijk is en dat historische gegevens opnieuw onderzocht moeten worden met deze conclusie in het achterhoofd. Spence zelf is trouwens de eerste om deze opmerking te maken en zal zich in de toekomst ook aan dit soort onderzoek wijden.

Miskende genieën of charlatans?

Kate Spence was natuurlijk niet de eerste om een verband tussen het bovenaardse en de piramides te leggen. De bekendste theorie die dit verband onderzoekt is ettelijke jaren ouder: de Orion-connectie van Graham Hancock en de Belg Robert Bauvall. Beiden hebben een aantal populaire werken op hun naam staan en hun theorie werd uitvoerig belicht in een aantal sterk gemediatiseerde televisieprogramma’s. Hun boeken werden bestsellers en werden meerdere keren vertaald, onder andere in het Nederlands. Ook de programma’s werden druk bekeken en Canvas zond de bewuste reportage zelfs een aantal keren uit, kaderend in een reeks waarin overigens ook te zien is hoe Hancock de Ark des Verbonds in Ethiopië terugvindt, maar ze helaas niet te zien krijgt.

Hancock en Bauvall vinden in de Gizeh-piramides de kennis van een lang verdwenen beschaving terug en aarzelen niet hierbij te verwijzen naar Atlantis. Hun hypothese steunt op een aantal argumenten, waarvan de Orion-connectie er een is. Volgens hen verwijst de opstelling van de Gizeh-piramides naar de drie helderste gordelsterren van het sterrenbeeld Orion in 10.500 v. chr., ongeveer 8000 jaar dus vooraleer de piramides daadwerkelijk gebouwd werden. Daarnaast wijzen zij erop dat de piramides een indrukwekkende wiskundige en technologische kennis vereisten, die op het moment dat zij gebouwd werden niet beschikbaar was. Daarnaast zou de Sfinx een ander overblijfsel uit deze lang vervlogen periode zijn en zou de kennis van ‘Atlantis’ ook haar weg gevonden hebben naar het Zuidamerikaanse continent.

Vermits er geen enkele archeologische vondst verwijst naar een lang vervlogen beschaving wordt de theorie van Bauvall en Hancock op zijn best op scepsis onthaald. Maar wanneer een verbinding gemaakt wordt tussen tot de verbeelding sprekende thema’s als Atlantis, de piramides, en de sterren ziet men zich verzekerd van aandacht en de Hancock-Bauvall hypothese kreeg de voorbije jaren heel wat aandacht. Dany Vanbeveren en Hugo Sol zagen zich zelfs genoodzaakt een boek samen te stellen om deze hypothese kritisch te onderzoeken (Piramides in de Kosmos., VUBPress, 2000) en het toonaangevende BBC-programma Horizon besteedde een volledige uitzending aan het ontkrachten van de veronderstellingen van Hancock en Bauvall.

Opmerkelijk genoeg is de Orion-connectie een van de minst omstreden argumenten die beide auteurs gebruiken. Ten minste, als men plaats laat voor enige nuances. Zo wijst een schacht die vanuit de Koningskamer vertrekt naar de buitenkant van de piramide van Cheops inderdaad naar de Orion-sterren, maar is de richting slechts bij benadering correct. Bovendien beweren Hancock en Bauvall dat in het oorspronkelijke opzet het volledige Orion-sterrenbeeld voor ogen werd gehouden, terwijl het hoogst onzeker is dat de Egyptenaren dit sterrenbeeld als dusdanig kenden. Daarnaast gebruikten beide auteurs een onnauwkeurige programma om de beweging van de hemellichamen na te gaan, kloppen de verhoudingen tussen de piramides die zij bij hun Orion-hypothese betrekken niet met de verhoudingen tussen de betrokken sterren en is bij de tientallen andere piramides die in de Nijl-vallei te vinden zijn geen enkel verband met sterrenbeelden te vinden. Bovendien is het helemaal niet zo onmogelijk piramides te bouwen met de technologie die in 2480 v. chr. voor handen was. Er is een duidelijke evolutie merkbaar in de bouw van piramides, waaruit blijkt dat ook trial-and-error tot het instrumentarium van de piramidebouwers behoorden. Zo verbazen Hancock en Bauvall zich over de precieze graad van de helling van de piramides, maar vermelden zij de ‘knikpiramide’ van Snofroe niet, die ouder is dan de Cheops-piramide en waar de helling tijdens het bouwproces werd gewijzigd om instorting te voorkomen, noch de eveneens oudere trappenpiramide van Djoser.

Het onderzoek van Kate Spence heeft echter ook Hancock en Bauvall bereikt. Op de website van Hancock werd al gereageerd op haar onderzoeksresultaten en beweert Bauvall dat hij eerder dezelfde conclusies had getrokken. Bauvall merkt wel op dat het feit dat de Egyptenaren de lijn tussen Kochab en Mizar als hulpmiddel bij de oriëntatie gebruikten en dat de afwijking tussen de piramides te danken is aan precessie Spences eigen vondsten zijn. Zonder afbreuk te doen aan de bewering van Bauvall dat hij als eerste de sterren als dateringsmethodes gebruikt, kan toch opgemerkt worden dat het onderzoek van Spence heel wat minder verregaande gevolgtrekkingen koppelt aan de relatie tussen hemellichamen en de piramides. Bovendien lijkt het eerder een falsificatie van de Orion-hypothese in te houden. Als de Egyptenaren hun kennis te danken hadden aan een oude en geniale samenleving, vanwaar dan de fouten? Het lijkt wel erg onwaarschijnlijk dat de piramidebouwers deze fouten gebruikten als dateringsmethode, zoals Bauvall beweert.

Het bewuste BBC Horizon-programma werd door Bauvall en Hancock aangeklaagd wegens partijdigheid en, voor het eerst in de geschiedenis van Horizon, werden twee van de klachten gegrond bevonden door de Britse Broadcasting Standards Commission (BSC). Dat leidde uiteraard tot triomfantelijke berichten op de website van Hancock. Toch wees de BSC het merendeel van de klachten af en oordeelde het alleen over de gebruikte methodes van de programma-makers. De ontvankelijk verklaarde klacht blijkt bovendien een argument te betreffen waarvan Dany Vanbeveren en Hugo Sol de validiteit in vraag stellen, maar waar zij wel een aantal eveneens met de Hancock-Bauvall-hypothese strijdige alternatieven voor presenteren.

Op 14 december zal Horizon een aangepaste versie van het programma uitzenden, waarin tegemoet zou worden gekomen aan de opmerkingen van de BSC. Benieuwd hoe stevig de Atlantis-connectie dan nog zal zijn...

(DdV)


Related links:

 

Het artikel van Kate Spence in PDF-formaat

De piramides

De website van Graham Hancock

 


© David de Vaal