(Opgelet: deze artikels werden voor 2002 geschreven en zijn dus mogelijk gedateerd)

De verbeelding gemeten
Neurologisch onderzoek toont overeenkomsten tussen perceptie en verbeelding - 24-11-2000

Mentale voorstellingen zijn steeds een omstreden onderwerp geweest, waarrond heel wat hypotheses en veronderstellingen de ronde deden, die echter niet altijd experimenteel getoetst kunnen worden. Dankzij de technologische ontwikkelingen wordt dit nu in toenemende mate mogelijk en de resultaten laten niet op zich wachten.

 

Zien met de ogen dicht

De menselijke capaciteit om zich beelden voor de geest te halen is een kenmerk dat met vele functies wordt bedeelt. Het zou een belangrijke rol spelen in de werking van het geheugen, in spatiaal denken, linguïstisch begrijpen, het aanleren van motorische vaardigheden en, zoals Albert Einstein ooit getuigde, symbolisch redeneren. Het cognitief-wetenschappelijke onderzoek van deze eigenschap bevindt zich dan ook op de grenzen van de studie naar perceptie, geheugen, redeneren en emoties. En zoals in het wetenschappelijke bedrijf wel vaker het geval is, leidt dit tot hoog oplopende discussies.

Iedereen is vertrouwd met zijn eigen geestesoog, maar welke processen precies verantwoordelijk zijn voor de soms erg levendige beelden die in de geest opduiken is nog lang niet duidelijk. Al sinds de oudheid wordt deze eigenschap druk bediscussieerd in filosofische middens, maar sinds de voorlaatste eeuwwende mengen de cognitieve wetenschappen zich met steeds luidere stem in het debat. Het onderwerp werd in de 19e eeuw al door Wilhelm Wundt, de vader van de experimentele psychologie behandelt, maar verloor gaandeweg zijn aantrekkingskracht, niet in het minst omdat de discussie over de realiteit van deze beelden onoplosbaar bleek. Daarmee wordt overigens geenszins bedoeld dat de ervaring beelden voor de geest te halen niet zou bestaan, maar wel dat niet iedereen het er over eens was in welke mate deze beelden een objectieve realiteit zijn, dan wel een vorm van ‘doen alsof men iets ziet’. Een discussie waarin zowel filosofen als postief-wetenschappelijke vorsers hun zegje deden.

Kosslyn vs. Pylyshyn

In de jaren ‘60 en ‘70 stimuleert toegepast psychologisch onderzoek naar zintuiglijke deprivatie en hallucinogene ervaringen opnieuw de aandacht naar het menselijke geestesoog. In toenemende mate verwijderen de filosofische en strikt wetenschappelijke polemieken zich echter van elkaar. De hevigste wetenschappelijke discussie gaat tussen de voorstanders van een analoog standpunt, met als belangrijkste vertegenwoordiger Stephen Kosslyn, en proponenten van een propositionele visie, waar Zenon Pylyshyn de belangrijkste figuur is.

De analoge theorie stelt dat analoge mechanismen in het visuele systeem geactiveerd worden wanneer men een bepaalde voorstelling inbeeldt als wanneer men dezelfde voorstelling echt ziet. Kosslyn ziet hier twee componenten aan het werk: oppervlakte-representatie, waarbij de visuele cortex in de hersenen wordt aangesproken en reëel visueel beeld wordt voorgesteld en diepe representatie, dat verantwoordelijk is voor het oproepen van de karakteristieken van het mentale beeld en de daarmee gerelateerde verbale berschrijving van het beeld. Diepe representatie zou dan worden gebruikt om de oppervlakte-representatie mogelijk te maken.
Pylyshyn verdedigt een andere theorie, die er vanuit gaat dat enkel abstracte concepten hun weg naar het geheugen vinden, die dan later opnieuw worden opgeroepen om een mentaal beeld te maken. Het grote verschil tussen beide bestaat er dan in dat volgens Kosslyn visuele mechanismen werkzaam zijn, terwijl dat bij Pylyshyn’s hypothese niet het geval is.

Het testen van deze hypothese bleek echter bijzonder moeilijk te zijn en lange tijd moesten de wetenschappers zich beperken tot onrechtstreeks bewijs. Dat bleek vooral de analoge theorie te bevestigen. Experimenten toonden aan dat mentale beelden in veel gevallen op dezelfde manier verwerkt worden als echte beelden. Zo duurt het langer om een mentale afbeelding te roteren naarmate de rotatie groter is, net als bij een fysiek object. Vergelijkingen tussen twee inbeeldingen die erg verschillend zijn vragen minder tijd dan vergelijkingen tussen twee gelijkaardige beelden en het inbeelden van bepaalde objecten of taferelen wordt heel wat moeilijker als gelijktijdig een visuele taak wordt opgelegd.

Wat gebeurt er onder de hersenpan?

De laatste jaren zijn technieken om de activiteit van de hersenen tijdens bepaalde taken te meten drastisch verbeterd, wat perspectieven opent voor het neurologisch onderzoek naar het geestesoog. Zo is het mogelijk de hersenactiviteit na te gaan tot op het niveau van individuele neuronen, afzonderlijke cellen dus.

En dat is precies wat Itzhak Fried, verbonden aan de medische faculteit van de universiteit van Californië heeft gedaan bij 9 epilepsie-patiënten, waarbij microelectrodes in de hersenen werden ingeplant om de oorzaak van hun aanvallen na te gaan. Tijdens een oefening waarbij eerder getoonde afbeeldingen in een zintuiglijk arme omgeving opnieuw moesten worden opgeroepen, ging Fried de activiteit van 276 aparte neuronen na. Een eerste opmerkelijke vaststelling was dat de activiteit van de neuronen niet wezenlijk verschilde wanneer de beelden werden getoond in vergelijking tot de mentale voorstelling van dezelfde beelden. Dat was vooral verbazend omdat mentale beelden steeds minder levendig zijn dan reëele waarnemingen. Daarnaast bleek dat een overgrote meerderheid van de hersencellen - 88% - eenzelfde specifieke functie vervulden bij het waarnemen van echte beelden als bij inbeelding, wat men in dit verband de selectiviteit van het neuron noemt. Tenslotte bleken drie types van selectieve neuronen voor te komen. Naast de neuronen die zowel bij reëele als bij mentale beelden in werking traden, bleken er ook neuronen te zijn die slechts bij een van van beide functies activiteit vertonen.

Deze gegevens lijken dus het bewijsmateriaal dat al ten voordele van de analogie-hypothese werd verzameld aan te vullen. Ook hier lijkt er wel degelijk sprake te zijn van visuele systemen die bij zowel reëele als mentale beelden worden aangesproken. Als deze gegevens ook bij andere experimenten worden waargenomen ziet het ernaar uit dat het pleit in het voordeel van Kosslyn is beslecht.

 


 
Related links:

 

Samenvattingen van neurologische artikels

Meer informatie omtrent mentale beelden

Itzhak Fried

 

© David de Vaal