(Opgelet: deze artikels werden voor 2002 geschreven en zijn dus mogelijk gedateerd)

Zien tetrachromaten wat wij niet zien?
Wat betekent het om 4 in plaats van 3 kleurkanalen te kunnen onderscheiden? - 30-11-2000

De vraag of tetrachromaten - vrouwen die 4 kleurkanalen kunnen waarnemen in plaats van drie - bestaan houdt wetenschappers al sinds 1948 bezig, toen die mogelijkheid voor het eerst werd geopperd. Dat het fysisch mogelijk is 4 kleurkanalen waar te nemen is inmiddels afdoende aangetoond, maar of dit ook tot een verhoogde kleurgevoeligheid leidt is minder duidelijk.

Kleuren hebben niet enkel dichters en andere romantici eeuwenlang geïnspireerd, maar hebben ook steeds de aandacht van filosofen en wetenschappers uit de meest diverse takken getrokken. Wat is kleurenblindheid? Worden kleuren door iedereen op dezelfde manier waargenomen? Welke ervaring brengen kleuren te weeg? Wat zijn kleuren eigenlijk?

Dankzij de genetica is het inzicht in fenomenen als kleurenblindheid met sprongen vooruit gegaan en in de biologie van kleurperceptie is de laatste jaren ook heel wat vooruitgang geboekt. Daarmee is ook de aandacht voor de genetische mogelijkheid dat tetrachromaten bestaan weer toegenomen en de kwestie wordt op dit moment door enkele wetenschappers onderzocht.

Mensen met een normale kleurperceptie - trichromaten - hebben drie soorten kegeltjes, cellen die bij voorkeur licht met een bepaalde golflengte absorberen. De kegeltjes stellen de mens in staat drie kleurreeksen waar te nemen: rood, groen en blauw. Kleurenblinden, 8% van de mannelijke bevolking, ontbreekt het aan een soort kegeltjes, terwijl tetrachromaten over een extra soort kegeltjes beschikken, gevoelig voor een kleur tussen rood en groen.

Tetrachromaten zijn per definitie vrouwen, of toch minstens tot de mens in staat is ingewikkelde genetische wijzigingen te kunnen aanbrengen. Dat is een gevolg van de manier waarop de mogelijkheid om kleur waar te nemen genetisch wordt overgedragen.

De genen voor de rood- en groengevoelige kegeltjes liggen op het x-chromosoom, terwijl het blauwgevoelige kegeltje op een totaal ander chromosoom gelegen is. Dat verklaart waarom kleurenblindheid bijna uitsluitend bij mannen voorkomt. Mannen hebben immers maar een x-chromosoom, waardoor fouten in dit chromosoom veel sneller tot uiting zullen komen dan bij vrouwen.

De chromosonale fouten die betrekking hebben op de kleurperceptie kunnen drie resultaten opleveren. Op het x-chromosoom kan het rode of groene pigmentgen ontbreken, de rode pigmentgenen op een x-chromosoom kunnen licht van elkaar verschillen of dat kan het geval zijn met de groene pigmentgenen.

Zo wordt het theoretisch mogelijk dat een vrouw een x-chromosoom erft met twee licht verschillende rode (of groene) pigmentgenen, terwijl het andere x-chromosoom normale pigmentgenen draagt. Voeg daarbij het biologische fenomeen van de x-inactivatie, dat ervoor zorgt dat sommige cellen zich op het ene x-chromosoom richten en andere cellen op het andere en een mogelijk gevolg is een vrouw wiens oog vier verschillende soorten kegeltjes bevat: blauwe, groene, rode en licht verschillend rode.

Daarmee is aangetoond dat tetrachromatie fysisch mogelijk is, maar dat beantwoordt de vraag of deze vrouwen ook werkelijk meer kleuren waarnemen niet. Daarvoor moet immers nog aan enkele andere voorwaarden voldaan worden. Zo moeten de hersenen bijvoorbeeld aangepast zijn om de informatie afkomstig van het extra, vierde kanaal te kunnen verwerken. Maar aangezien de hersenen een complex en zelforganiserend systeem zijn, dat op andere vlakken al voldoende blijk heeft gegeven van een groot aanpassingsvermogen, wordt deze mogelijkheid meer dan waarschijnlijk geacht.

Daarnaast mag het verschil tussen de rode (of groene) pigmentcellen niet te klein zijn. Dat is echter wel wat op basis van de genetica voorspeld kan worden en waardoor de superieure kleurwaarneming van het overgrote deel tetrachromaten slechts zeer mild zal zijn. Maar enkele van deze vrouwen zouden wel over uitgesproken verschillende rode (of groene) pigmentcellen beschikken.

Zo een vrouw vinden lijkt dan ook op de spreekwoordelijke zoektocht naar een naald in een hooiberg. Maar ook hier biedt de genetica een oplossing: tetrachromate vrouwen hebben een verhoogde kans op het krijgen van zonen met kleurenblindheid en het was deze premisse die Gabriele Jordan van de Cambridge universiteit naar mevrouw M. leidde, een 57-jarige Britse, tetrachromate vrouw.

Maar opnieuw staan de wetenschappers voor een probleem, want hoe kan een subjectieve ervaring als kleurperceptie op een wetenschappelijke manier aangetoond worden? Iedereen is waarschijnlijk wel vertrouwd met de moeilijkheid om een dergelijke ervaring aan anderen mee te delen. Voor trichromaten is het dan ook zo goed als onmogelijk om zich voor te stellen hoe tetrachromaten kleuren waarnemen. Mevrouw M. kan dan wel proberen om een tip van de sluier op te lichten door te zeggen dat zij ziet dat sommige stukken kleding niet bij elkaar passen, ook al vinden alle anderen van wel, toch blijft het voor ons arme trichromaten moeilijk om daar een voorstelling bij te maken.

En dat maakt het er uiteraard niet makkelijker op om een testprocedure te ontwikkelen om te bepalen of mevrouw M. kleuren kwalitatief anders waarneemt. Jordan is er toch in geslaagd, ook al is het experiment nog steeds in volle ontwikkeling en zijn de conclusies nog lang niet definitief. Een test waarbij mengvormen van kleuren door proefpersonen opnieuw moesten worden gevormd, leerde alvast dat mevrouw M. deze taak tot een ander einde bracht dan de ?normale? testpersonen. Waar de trichromaten een hele reeks kleurmengsels als gelijk aan de gepresenteerde kleur beschouwde, maakte mevrouw M. telkens 1 precies gelijkende mengvorm. En hoewel de resultaten van een enkel experiment nooit tot algemene conclusies kunnen leiden, wordt hier toch een sterke aanwijzing gevonden dat tetrachromaten kleur wel degelijk op een andere manier waarnemen.

Ook al zullen er wellicht erg weinig tetrachromate vrouwen bestaan, toch zou een bevestiging van deze resultaten belangrijke conclusies toelaten. Naast het feit dat mevrouw M. ook over een uitzonderlijk geheugen voor kleuren lijkt te beschikken, laat het immers toe te concluderen dat de hersenen in staat zijn zich aan te passen om de verwerking van extra gegevens toe te laten, een conclusie die verstrekkend gevolgen kan hebben voor de objectieven die de gentherapie zich kan stellen. Want de hersenen zouden dan flexibel genoeg zijn om zich aan genetische wijzigingen aan te passen. En dan zou het ook mogelijk zijn om bv. kleurenblindheid met gentherapie aan te pakken.

Bovendien lijkt de hedendaagse computertechnologie te wachten op een meer ontwikkelde menselijke kleurperceptie. Computerschermen zijn immers uiterst geschikt om zich te baseren op 4 primaire kleuren in plaats van de gebruikelijke 3. De moeilijkheden die kleurenblinden ervaren bij gebruik van het internet, met browsers die bij uitstek van kleuren gebruik maken om duidelijk te maken waar men naar toe kan of al is geweest, vormen een indicatie van de voordelen die tetrachromatie zou kunnen bieden bij het verwerken van informatie. Als gentherapie vrouwen - mannen komen voorlopig nog lang niet in aanmerking - dan de kans zou kunnen geven een tetrachrome blik te bestellen, zouden dergelijke ontwikkelingen wel eens snel werkelijkheid kunnen worden.

(DdV)


Related links:

 

Meer informatie over kleurperceptie

Zie hier hoe kleurenblinden de wereld waarnemen

Het artikel waarop deze bijdrage is gebaseerd

 


© David de Vaal