(Opgelet: deze artikels werden voor 2002 geschreven en zijn dus mogelijk gedateerd)

Zuigelingen kunnen reeds vroeg woorden onderscheiden
Nieuw onderzoek legt belangrijk element van taalontwikkeling bloot - 05-06-2001

Dat de ontwikkeling van taal al in de wieg start is sinds enige decennia een gegeven, en sinds kort krijgen psychologen een steeds nauwkeuriger inzicht in dit proces. De jongste resultaten in dit onderzoeksveld tonen aan dat zuigelingen van 8 maanden en half al in staat zijn het begin en einde van woorden te onderscheiden.

 

Dachten deskundigen in een recent verleden nog dat kinderen doof en blind op de wereld kwamen, dan is het onderzoek naar de werking van de zintuigen in zuigelingen vandaag een florerende onderzoekstak. Het inzicht in de manier waarop baby’s en peuters ogen en oren gebruiken groeit zienderogen, en één van de belangrijke aandachtspunten in dit soort onderzoek is de manier waarop taal wordt verworven. Dat gaat zo snel, dat het bestaan van een aangeboren taalvermogen nog moeilijk te ontkennen valt.

Het begrijpen en spreken van een taal veronderstelt immers een groot aantal complexe vaardigheden. Zo moeten verschillende klanken worden onderscheiden (fonologie), dient de betekenis van woorden te worden geleerd (semantiek), moet men de grammatica onder de knie krijgen en moeten de kinderen leren waar wat tegen wie gezegd kan worden (pragmatiek).

In de eerste levensfase wordt vooral de fonologie ontwikkeld en leren zuigelingen luisteren. Aanvankelijk, zo blijkt uit het zeer recente onderzoek van onderzoekers van de universiteit van Washington, is het voor baby’s niet eenvoudig één enkel geluid uit de kakofonie waaraan zij worden blootgesteld te onderscheiden en luisteren zij naar alle frequenties tegelijk. Een voorkeur voor menselijke geluiden is dan al aanwezig, en gaandeweg leert het kind ook de klanken van de eigen taal te onderscheiden. Geen enkele taal maakt gebruik van het het volledige gamma aan klanken, en zuigelingen laten al snel blijken meer gesteld te zijn op woorden in de moedertaal (ook al is het de eerste keer dat deze worden gepresenteerd) in tegenstelling tot een vreemde taal.

Op de grens tussen fonologische en semantische vaardigheden, schuilt het vermogen te bepalen waar een woord begint, en waar het ophoudt. Dat lijkt een eenvoudige taak, maar foutieve woordscheiding is vaak een bron van misverstanden. Vooral in gesproken taal kan een foutieve woordscheiding tot een ‘tekstomelet’ leiden waar nog moeilijk een touw aan valt vast te knopen. Zo komt in het zinnetje ‘Ik maak aas klaar’ een klank die overeenstemt met het woord kaas. Wie wat onaandachtig luistert zal dan al snel aan zuivelproducten denken, in plaats van aan een ontspannend vistochtje.

In het juninummer van het tijdschrift Journal of Experimental Psychology: Human Perception and Performance kondigen de psychologen Sven Mattys en Peter Jusczyk aan dat kinderen al vanaf een leeftijd van bijna negen maanden in staat zijn om uit te maken waar een woord eindigt en een nieuw begint. Dat leidden zij af uit een achttal experimenten waarbij twee dozijn zuigelingen werden getest. In de testprocedure - die wel vaker wordt gebruikt bij zeer jonge proefpersonen - zitten de kinderen op de schoot van de moeder in een kleine ruimte, waar links, rechts en voor het kind prikkels aangeboden kunnen worden. Een lampje aan de linker- of rechterkant van de zuigeling gaat branden, waardoor de aandacht wordt getrokken. Dan wordt via een luidspreker die aan dezelfde zijde is opgesteld het testwoord gepresenteerd. Omdat kinderen meer interesse vertonen in klanken die zij kennen dan in onbekende geluiden, kan men nagaan naar welke richting de zuigeling het langst blijft kijken, wat dan een indicator oplevert voor de mate waarin bepaalde klanken worden herkend.

In een eerste fase werden de proefpersonen vertrouwd gemaakt met een aantal woorden. In de tweede fase van het onderzoek ging men na of jonge kinderen erin slaagden woorden te onderscheiden van zinnen waarin dezelfde klanken voorkomen als die waaruit het testwoord bestaat. Daartoe werden drie situaties van elkaar onderscheiden: (1)zinnen waarin het doelwoord aanwezig is, (2) zinnen waarin het woord niet wordt gebruikt, maar waarin wel eenzelfde klank opduikt, en (3) een testconditie waarin noch het testwoord, noch een gelijkaardige klankgroep voorkomt. Zo werd bv. het Engelse ‘dice’ aangeleerd, dat in (1) in een zin opduikt, maar in situatie (2) als ‘weird ice’ wordt gebruikt.

Uit de resultaten bleek dat kinderen al vanaf een leeftijd van 8 maanden en half duidelijk meer aandacht besteden aan zinnen uit situatie (1), terwijl wat in situaties (2) en (3) werd gezegd duidelijk minder kon bekoren.

Dat betekent evenwel niet dat de zuigelingen dan ook al weten wat het woord betekent, want elke taal beschikt ook over een aantal betekenisonafhankelijke mechanismen om het onderscheid in woorden aan te geven, zoals het gebruik van klemtonen, een verschillende uitspraak van het woordeinde in vergelijking met het begin van een woord en het relatieve voorkomen van geluiden aan het begin dan wel aan het einde van een woord. Maar het is uiteraard wel een noodzakelijke voorwaarde om ooit de betekenis van woorden te achterhalen, en opnieuw blijkt hoe vroeg in de ontwikkeling van een kind deze voorwaarde al vervuld is. (DdV)

Aansluitende artikels:

Moedertaal beïnvloedt ernst van dyslexie - 16-03-2001

Beschikt iedere baby over absoluut gehoor? - 20-02-2001

Menselijk oog is geen camera - 29-03-2001

 


 
Related links:

 

Taalverwerving: een theorie

Taalontwikkeling bij kinderen

 

© David de Vaal