Zuigelingen
kunnen reeds vroeg woorden onderscheiden
Nieuw onderzoek legt belangrijk element van taalontwikkeling
bloot - 05-06-2001
Dat
de ontwikkeling van taal al in de wieg start is sinds enige decennia
een gegeven, en sinds kort krijgen psychologen een steeds nauwkeuriger
inzicht in dit proces. De jongste resultaten in dit onderzoeksveld
tonen aan dat zuigelingen van 8 maanden en half al in staat zijn het
begin en einde van woorden te onderscheiden.
Dachten
deskundigen in een recent verleden nog dat kinderen doof en blind
op de wereld kwamen, dan is het onderzoek naar de werking van de zintuigen
in zuigelingen vandaag een florerende onderzoekstak. Het inzicht in
de manier waarop baby’s en peuters ogen en oren gebruiken groeit zienderogen,
en één van de belangrijke aandachtspunten in dit soort onderzoek is
de manier waarop taal
wordt verworven. Dat gaat zo snel, dat het bestaan van een aangeboren
taalvermogen nog moeilijk te ontkennen valt.
Het begrijpen en spreken van een taal veronderstelt immers een groot
aantal complexe vaardigheden. Zo moeten verschillende klanken worden
onderscheiden (fonologie), dient de betekenis van woorden te worden
geleerd (semantiek), moet men de grammatica onder de knie krijgen
en moeten de kinderen leren waar wat tegen wie gezegd kan worden (pragmatiek).
In de eerste levensfase wordt vooral de fonologie ontwikkeld en leren
zuigelingen luisteren. Aanvankelijk, zo blijkt uit het zeer recente
onderzoek
van onderzoekers van de universiteit van Washington, is het voor baby’s
niet eenvoudig één enkel geluid uit de kakofonie waaraan zij worden
blootgesteld te onderscheiden en luisteren zij naar alle frequenties
tegelijk. Een voorkeur voor menselijke geluiden is dan al aanwezig,
en gaandeweg leert het kind ook de klanken van de eigen taal te onderscheiden.
Geen enkele taal maakt gebruik van het het volledige gamma aan klanken,
en zuigelingen laten al snel blijken meer gesteld te zijn op woorden
in de moedertaal (ook al is het de eerste keer dat deze worden gepresenteerd)
in tegenstelling tot een vreemde taal.
Op de grens tussen fonologische en semantische vaardigheden, schuilt
het vermogen te bepalen waar een woord begint, en waar het ophoudt.
Dat lijkt een eenvoudige taak, maar foutieve woordscheiding is vaak
een bron van misverstanden. Vooral in gesproken taal kan een foutieve
woordscheiding tot een ‘tekstomelet’ leiden waar nog moeilijk een
touw aan valt vast te knopen. Zo komt in het zinnetje ‘Ik maak aas
klaar’ een klank die overeenstemt met het woord kaas. Wie wat onaandachtig
luistert zal dan al snel aan zuivelproducten denken, in plaats van
aan een ontspannend vistochtje.
In het juninummer van het tijdschrift Journal
of Experimental Psychology: Human Perception and Performance
kondigen de psychologen Sven Mattys en Peter Jusczyk aan dat kinderen
al vanaf een leeftijd van bijna negen maanden in staat zijn om uit
te maken waar een woord eindigt en een nieuw begint. Dat leidden zij
af uit een achttal experimenten waarbij twee dozijn zuigelingen werden
getest. In de testprocedure - die wel vaker wordt gebruikt bij zeer
jonge proefpersonen - zitten de kinderen op de schoot van de moeder
in een kleine ruimte, waar links, rechts en voor het kind prikkels
aangeboden kunnen worden. Een lampje aan de linker- of rechterkant
van de zuigeling gaat branden, waardoor de aandacht wordt getrokken.
Dan wordt via een luidspreker die aan dezelfde zijde is opgesteld
het testwoord gepresenteerd. Omdat kinderen meer interesse vertonen
in klanken die zij kennen dan in onbekende geluiden, kan men nagaan
naar welke richting de zuigeling het langst blijft kijken, wat dan
een indicator oplevert voor de mate waarin bepaalde klanken worden
herkend.
In een eerste fase werden de proefpersonen vertrouwd gemaakt met een
aantal woorden. In de tweede fase van het onderzoek ging men na of
jonge kinderen erin slaagden woorden te onderscheiden van zinnen waarin
dezelfde klanken voorkomen als die waaruit het testwoord bestaat.
Daartoe werden drie situaties van elkaar onderscheiden: (1)zinnen
waarin het doelwoord aanwezig is, (2) zinnen waarin het woord niet
wordt gebruikt, maar waarin wel eenzelfde klank opduikt, en (3) een
testconditie waarin noch het testwoord, noch een gelijkaardige klankgroep
voorkomt. Zo werd bv. het Engelse ‘dice’ aangeleerd, dat in (1) in
een zin opduikt, maar in situatie (2) als ‘weird ice’ wordt gebruikt.
Uit de resultaten bleek dat kinderen al vanaf een leeftijd van 8 maanden
en half duidelijk meer aandacht besteden aan zinnen uit situatie (1),
terwijl wat in situaties (2) en (3) werd gezegd duidelijk minder kon
bekoren.
Dat betekent evenwel niet dat de zuigelingen dan ook al weten wat
het woord betekent, want elke taal beschikt ook over een aantal betekenisonafhankelijke
mechanismen om het onderscheid in woorden aan te geven, zoals het
gebruik van klemtonen, een verschillende uitspraak van het woordeinde
in vergelijking met het begin van een woord en het relatieve voorkomen
van geluiden aan het begin dan wel aan het einde van een woord. Maar
het is uiteraard wel een noodzakelijke voorwaarde om ooit de betekenis
van woorden te achterhalen, en opnieuw blijkt hoe vroeg in de ontwikkeling
van een kind deze voorwaarde al vervuld is. (DdV)
Aansluitende artikels:
Moedertaal
beïnvloedt ernst van dyslexie - 16-03-2001
Beschikt
iedere baby over absoluut gehoor? - 20-02-2001
Menselijk
oog is geen camera - 29-03-2001
Related links:
Taalverwerving:
een theorie
Taalontwikkeling
bij kinderen
©
David de Vaal