(Opgelet: deze artikels werden voor 2002 geschreven en zijn dus mogelijk gedateerd)

Hebben stotteraars andere hersenen?
Voor het eerst anatomische verschillen gevonden - 26-07-2001

Stotteren is een communicatieve stoornis waarvan de oorzaken nog steeds onduidelijk zijn, ook al zijn er al tal van theorieën gelanceerd. In een recent onderzoek, gepubliceerd in het juli-nummer van het tijdschrift Neurology, ging Anne Foundas na of de hersenen van stotteraars verschillen vertonen met mensen zonder de stoornis. Dat bleek inderdaad het geval te zijn, wat echter niet betekent dat dé oorzaak van stotteren achterhaald is.

 

Stotteren komt vrij vaak voor: ongeveer 1% van de bevolking stottert en bij kinderen is er 4,2% kans dat het kind op één of ander moment zal stotteren. Het is bovendien een overbekend fenomeen en iedereen weet wat met ‘stotteren’ wordt bedoeld. De aandoening leent zich tot het maken van allerhande grappen en de kans dat iemand persoonlijk een stotteraar kent is uiteraard ook vrij groot. Maar ondanks decennia onderzoek is het nog steeds niet duidelijk wat precies de oorzaken van stotteren zijn. Wat wel duidelijk is geworden, is dat het een complexe stoornis is waarvoor wellicht een hele reeks factoren verantwoordelijk zijn. Wat stotteren veroorzaakt is bovendien niet noodzakelijk de reden die ervoor zorgt dat het stotteren verergert of aanhoudt.

Dat omgevingsfactoren een belangrijke rol spelen staat buiten kijf, maar sommige cijfers wijzen dat er ook een fysiologische oorzaak zou kunnen bestaan. Zo is er een opvallende meerderheid van mannelijke stotteraars, die ongeveer 4 maal zo sterk vertegenwoordigd zijn dan vrouwen. Daarnaast is er ook een erfelijke component: er is een verhoogde kans dat de kinderen van stotteraars zelf ook communicatieproblemen zullen kennen. En ook andere recente onderzoeksresultaten wijzen op een genetische basis voor stotteren. Het lijkt er dan ook op dat er mogelijk aangeboren kenmerken zijn die een verhoogde kans op stotteren betekenen, maar dat daarnaast ook nog uitlokkende factoren bestaan waardoor sommigen met een verhoogde kans ook echt gaan stotteren, terwijl anderen met eenzelfde initiële kans van de stoornis gespaard blijven.

Iedere poging dé oorzaak van stotteren te vinden is dan ook bij voorbaat gedoemd te mislukken, al kunnen wetenschappers wel de hoop koesteren enkele van de factoren te vinden die de kans op de stoornis verhogen. Anne Foundas, verbonden aan de Tulane University in New Orleans, denkt nu één van deze elementen die aan de basis ligt van stotteren op het spoor te zijn gekomen. Uit haar onderzoek blijkt immers dat er verschillen zijn tussen de hersenen van stotteraars en niet-stotteraars.

In het onderzoek werden magnetische scans gemaakt van de hersenen van 32 volwassenen die wat betreft geslacht, opleiding, leeftijd en links- of rechtshandigheid niet van elkaar verschilden, maar waarvan de helft stotterde en de andere helft niet. De stotteraars leden aan de meest voorkomende vorm van de communicatiestoornis: voortdurend ontwikkelingsstotteren. Doorgaans beginnen kinderen al vroeg – vanaf een leeftijd van 2-3 jaar - afwijkingen in hun spreken te vertonen (ontwikkelingsstotteren), die vaak ook weer verdwijnen bij het opgroeien. Als dat niet het geval is, krijgt het ontwikkelingsstotteren de kwalificatie 'voortdurend' mee.

Daarbij ging zij vooral op zoek naar verschillen in de taalcortex, een groot gebied in het menselijke hersenschors dat verantwoordelijk is voor taal en zo groot is omdat voor het begrijpen en produceren van taal enorme hoeveelheden gegevens verwerkt moeten worden. De onderzoeksgroep waarvan Foundas deel uitmaakt had, samen met anderen, eerder al vastgesteld dat specifieke hersendelen met een talige functie in het algemeen groter zijn in de linkerhersenhelft dan in de rechterhemisfeer. Daaruit besloten zij dat de linkerhersenhelft doorgaans dominant is wat taalvaardigheden betreft. Vandaar dat in de studie ook werd gecontroleerd voor links- of rechtshandigheid.

De scans toonden aan dat er wel degelijk anatomische verschillen tussen de hersenen van stotteraars en niet-stotteraars opdoken, meer bepaald in het planum temporale, een regio in de hersenen die verantwoordelijk is voor de verwerking van auditieve signalen van een hogere orde. Bij stotteraars was het planum temporale gemiddeld groter en was er een kleiner verschil tussen de grootte van het planum temporale in de linker- en rechterhersenhelft. Bij niet-stotteraars was er een uitgesproken verschil in grootte en was het planum temporale gemiddeld kleiner. Een laatste verschil in dit hersengebied betreft de boogjes of gyri in het planum temporale: dat vertoont bij stotteraars meer gyri dan bij niet-stotteraars.

Maar bovenstaande vindingen kloppen alleen in het algemeen en er was geen enkel kenmerk dat op zichzelf stotteraars van niet-stotteraars onderscheidt. Zo vertoonden de hersenen van de meeste mannelijke, rechtshandige stotteraars zowel een grotere planum temporale als meer gyri, terwijl de meerderheid van dezelfde groep vrouwen alleen meer hersenboogjes hadden. Wat de stotteraars van niet-stotteraars onderscheidt is de mate waarin de atypische kenmerken voorkomen: terwijl niet-stotteraars gemiddeld 1 atypisch kenmerk hadden, liep dat bij stotteraars op tot 4.

Het is dan ook geen eenvoudige taak om deze resultaten te interpreteren. Wat vastgesteld wordt, is dat bepaalde ongebruikelijke kenmerken meer in de hersenen van stotteraars dan van niet-stotteraars opduiken. Is men daarmee op één van de oorzaken van deze communicatiestoornis gestoten? Of heeft men een middel gevonden om een zekere mate van aanleg op te sporen, wat dan mogelijk kan leiden tot middelen om het stellen van een diagnose te vergemakkelijken? Of is het verband net omgekeerd en zijn de eigenschappen van het planum temporale een aanpassing van de hersenen aan het feit dat de eigenaar ervan stottert? De hersenen hebben al eerder blijk gegeven van een hoge mate van flexibiliteit en bij simultaantolken zijn eveneens afwijkende kenmerken gevonden, met name in het planum temporale.

Er is dus heel wat meer onderzoek nodig, met grotere groepen proefpersonen dan nu door Foundas werden onderzocht. Potentieel heeft het onderzoek zeker. Als men erin slaagt een indicator te vinden voor een verhoogde kans op stotteren, kan dat ertoe bijdragen dat de omgeving op een gepaste manier reageert en snel voor de nodige omkadering kan zorgen. Gecombineerd met spraaktherapie is dat nog steeds de belangrijkste en meest succesvolle manier om het stotteren te bestrijden. Maar met de ontdekking van Foundas is de weg naar een neurochemische aanpak eveneens voor geopend verklaard. Het onderzoek dat nu op stapel staat in haar onderzoeksgroep wil de gevolgen voor de hersenen in kaart brengen van de medicinale bestrijding van stotteren en zal een vergelijking maken met de hersenen van stotteraars die een meer klassieke gedragstherapie volgen.

David de Vaal

Aansluitende artikels:

Bewustzijn zonder hersenactiviteit? – 02-07-2001

Zuigelingen kunnen reeds vroeg woorden onderscheiden – 06-06-2001

Humor in de hersenen - 28-02-2001

 


 
Related links:

 

BEST vzw: Belgische belangengroep voor stotteraars

Stotteren wetenschappelijk bekeken

Taal en de hersenen

Tulane University

 

© David de Vaal