Genetisch
gemanipuleerde gewassen kunnen veiliger
Aanbevelingen om risico’s te beperken - 27-10-2000
Het
Engelse ‘Advisory Committee on Releases to the Environment’ (ACRE)
heeft een reeks richtlijnen opgesteld om de risico’s die verbonden
zijn aan genetisch gemanipuleerde gewassen te beperken. Want dat kan
volgens het comité heel wat beter dan momenteel het geval is.
De
discussie rond genetisch gemanipuleerde gewassen (GGG’s) is een van
de grote aandachtspunten in een ruimer en steeds urgenter wordend
debat omtrent de invloed en de grenzen van het gebruik van wetenschappelijke
technieken in domeinen die rechtsreeks op het dagelijkse leven ingrijpen.
De heftigheid waarmee voor en tegenstanders elkaar bekampen heeft
de discussie sterk gepolariseerd: terwijl voorstanders van GGG’s gouden
bergen beloven aan ieder die de technologie omarmt, voorspellen tegenstanders
een agricultureel armageddon. En beide partijen gebruiken even fijnzinnige
argumenten om elkaar te bekritiseren. Tegenstanders van GGG’s wordt
verweten een romantische maar voorbijgestreefde opvatting over ‘de
natuur’ te hebben, voorstanders worden immorele Frankensteins genoemd,
die zonder blikken of blozen de doos van Pandora wijd open zetten
en vooral bezorgd zijn over de groei van de eigen bankrekening.
Alleen al daarom is het een goede zaak dat ACRE een reeks aanbevelingen
heeft bekend gemaakt. Daarmee worden de problemen die door voorstanders
van GGG’s wel eens geminimaliseerd worden erkend, zonder dat de potentieel
verrijkende effecten van genetisch aangepaste voedselgewassen ontkend
worden. Over wat gaat het eigenlijk?
Bij genetische manipulatie wordt een gen, of een aantal genen van
een organisme in het genetisch materiaal van een ander organisme gebracht.
In essentie komt het erop neer dat een gen dat een aantal wenselijke
eigenschappen draagt in de cel van een plant die men met deze eigenschappen
wil uitrusten wordt geïntroduceerd. De verrijkte cel wordt dan opgekweekt
tot een plant en als alles goed gaat, zullen ook de nakomelingen van
die plant drager zijn van het toegevoegde gen.
Beoefenaars van deze techniek benadrukken dat zij in wezen niets anders
doen dan wat door boeren al jaren wordt gedaan door soorten te kruisen.
Tegenstanders vechten dit argument aan. Zij zeggen dat de manier waarop
genen door genetische manipulatie in het genetisch materiaal van organismen
terecht komt een fundamenteel anders en onvergelijkbaar proces is.
Vooral de snelheid waarmee nieuwe soorten nu tot stand kunnen komen
wordt argwanend bekeken.
Argumenten
pro en contra
De voordelen van genetische manipulatie zouden volgens de pleitbezorgers
van deze techniek ten goede kunnen komen aan producenten, consumenten
en het milieu. Voorlopig lijken echter vooral de producenten van voedselgewassen
beter te worden van GGG’s. Zo werden bepaalde gewassen voorzien van
natuurlijke insecticiden. Daarvoor werd het genetisch materiaal van
een insectendodende bacterie gebruikt. Door herbicide-resistente genen
te gebruiken, kunnen de oogsten besproeid worden met plantenverdelgers,
zonder dat de winstgewassen daaronder lijden. Bovendien werden genetische
technieken al gebruikt om bepaalde planten immuun te maken voor ziektes.
Maar daar houdt het natuurlijk niet op, vermits genetische manipulatie
wordt voorgesteld als een techniek die toelaat om organismen met zowat
elke denkbare wenselijke eigenschap uit te rusten. Dat is wellicht
een te boude uitspraak. De werking van genen is nog lang niet volledig
bekend, in het bijzonder daar waar bepaalde kenmerken hun oorsprong
vinden in een aantal op elkaar inwerkende genen. Dat er bepaalde voordelen
aan verbonden zijn is echter wel duidelijk, ook al kan het argument
dat genetische manipulatie de honger uit de wereld zal helpen voorlopig
worden afgedaan als wishful thinking.
De vraag die consumenten het meest aanbelangt - wat zijn de gevolgen
van het eten van GGG’s? - is voorlopig evenmin op een bevredigende
manier beantwoord en over de lange termijn-gevolgen is zo goed als
niets bekend. Een vaak geciteerd voorbeeld is de introductie van genen
uit noten in soyaplanten. Dat levert mogelijk gevaar op voor mensen
met een allergie voor noten. Voedselallergieën zijn vaak gevaarlijk,
maar wetenschappers beweren de gezondheidsrisico’s hiervan goed in
te kunnen schatten. Het grote gevaar is wel het overzicht te verliezen.
Bovendien licht dit voorbeeld een tip van de sluier op omtrent de
complexiteit van de gevolgen van genetische wijzigingen. Het lijkt
dan ook erg moeilijk bij voorbaat alle gevaren in te schatten.
Het ecologische gevaar van GGG’s is duidelijker omschreven. Vooral
een ongecontroleerde verspreiding van GGG’s en de ongewilde kruising
van gewijzigde planten met natuurlijke soorten kunnen voor enorme
problemen zorgen. De kans dat op deze manier een super-onkruid wordt
gecreëerd, resistent tegen herbiciden en natuurlijke bestrijdingsmiddelen,
is reëel. Planten die uitgerust werden met een toxicologisch gen zouden
voedselgewassen kunnen aantasten, wat resulteert in giftig voedsel.
Het gebruik van bacteriologisch materiaal zou nieuwe, gevaarlijke,
bacteriesoorten kunnen doen ontstaan en de vraag hoe snel insecten
resistent worden voor de natuurlijke pesticiden blijft eveneens onbeantwoord.
Bovendien blijken ook de gevolgen voor het milieu moeilijk te voorspellen.
Zo veroorzaakte een recente studie heel wat ophef. Een laboratoriumexperiment
maakte duidelijk dat de larven van de Koningsvlinder massaal stierven
na zich gevoed te hebben met de pollen van GGG’s.
Het rapport van ACRE
Het recente rapport van ACRE maakt in elk geval duidelijk dat de manier
waarop GGG’s momenteel worden gekweekt niet optimaal is. De veiligheid
die momenteel wordt geboden wordt onvoldoende geacht. Daarom stelt
ACRE een aantal richtlijnen voor. Het is een bundel ‘goede raad’ en
er zijn voorlopig geen plannen om de biotechnologische industrie te
dwingen deze maatregelen in de praktijk om te zetten.
Het rapport, getiteld “Guidance on Best Practice in the Design of
Genetically Modified Crops”, verzamelt drie algemene suggesties. Ten
eerste zouden planten zo moeten worden bewerkt, dat ‘genendrift’,
het onbedoeld overgaan van genen naar andere gewassen, verhinderd
wordt. Momenteel gebeurt dit enkel door buffer-zones tussen nauw verwante
soorten te installeren. Maar genendrift is al meermaals vastgesteld
en deze maatregel is dan ook onvoldoende. Een manier om deze drift
te beperken is steriele planten te produceren. Dat brengt echter andere
problemen met zich mee. Boeren zouden zo gedwongen zijn telkens nieuw
zaad aan te kopen, wat de toch al ongemakkelijk sterke positie van
de biotech-industrie nog verstevigt.
Een tweede richtlijn is dat bij modificatie zo weinig mogelijk DNA
zou moeten worden toegevoegd. Vooral het gebruik van antibiotica-resistente
genen wordt resoluut afgewezen. Antibiotica-resistentie is een steeds
groter wordend probleem en ACRE acht het niet wijs om daar nog een
risicofactor aan toe te voegen.
Tenslotte wordt voorgesteld de planten zo te manipuleren dat de toegevoegde
eigenschappen enkel tot uiting komen op het gewenste tijdstip. Dat
zou het risico op bijvoorbeeld allergische reacties drastisch kunnen
beperken.
Wat
de toekomst brengt...
... weet natuurlijk niemand. Dat de technologische vooruitgang in
dit veld in een ongekend tempo verloopt is echter al langer dan vandaag
duidelijk. Dat de teelt van GGG’s bepaalde gevaren inhoudt eveneens.
De gevolgen lijken moeilijk te voorspellen, maar dat mag geen reden
zijn om vanwege wetenschappelijke koudwatervrees alle experimenten
maar stop te zetten. Want GGG’s houden bepaalde beloftes in die niet
zo maar overboord kunnen worden gegooid. Dat een onafhankelijke instantie
toeziet op de manier waarop genetische manipulatie wordt bedreven
lijkt dan een valabele oplossing, mits men een correcte balans kan
vinden tussen volksgezondheid, ecologische en economische belangen.
Hopen op zelfregulering is wellicht naïef. Dat heeft de dioxinecrisis
wel duidelijk gemaakt.
(DdV)
Related links:
Een naar eigen zeggen neutrale kijk op GGG’s
Nadelen van GGG’s
©
David de Vaal