Kan
ecoagricultuur de wereld redden?
Helft
natuurparken wordt gebruikt voor landbouw - 09-05-2001
In
een nieuw rapport komen twee toonaangevende milieuverenigingen tot
de vaststelling dat de huidige aanpak om de biodiversiteit te bewaren
niet werkt. De helft van de grote natuurparken wordt intensief gebruikt
voor landbouw en er is een andere manier van natuurbescherming nodig
om het tij te keren.
De
huidige manieren om bedreigde diersoorten te beschermen gaan ervan
uit dat zones gecreëerd moeten worden waarin de dieren ongemoeid worden
gelaten, kleine vrijhavens waar ‘de natuur’ haar gang mag gaan en
menselijke tussenkomst zoveel mogelijk beperkt wordt. Dat die aanpak
niet altijd even succesvol is, bleek recent nog uit het Living
Planet Report van het World Wildlife Fund, waarin te lezen staat
dat de diversiteit in alle grote diergroepen flink terugloopt.
Twee gezaghebbende milieuverenigingen kwamen pas met een rapport naar
buiten waarin zij op zoek gaan naar de oorzaken van het falende beleid.
Daarnaast trachten zij ook oplossingen voor te stellen. De World
Conservation Union (IUCN), een uniek partnerschap waarin 10.000
experts uit 181 landen verenigd zijn en de landbouwvereniging Future
Harvest, namen hier twee jaar de tijd voor.
Volgens de auteurs, Jeffrey
McNeely van het IUCN en Sarah Scherr van de universiteit van Maryland,
moet het ecologische geweer dringend van schouder veranderd worden,
want als het zo doorgaat zal binnen 50 jaar 50% van de diersoorten
die in een bosbiotoop leven uitgestorven zijn. Overigens zijn niet
alleen bosdieren in gevaar: volgens de auteurs speelt zich momenteel
de grootste uitstervinggolf af sinds het uitsterven van de dinosauriër.
Het afschermen van bepaalde gebieden blijkt om verschillende redenen
een falende strategie te zijn. Vaak is de oppervlakte, hoe uitgestrekt
het soms ook mag lijken, ontoereikend. Veel diersoorten moeten migreren
om te kunnen overleven, iets wat niet lukt binnen de natuurgebieden.
Mede hierom zijn de populaties van een groot aantal diersoorten in
de parken te klein om zichzelf in stand te houden.
De belangrijkste reden is echter dat een meerderheid van de natuurgebieden
zich in regio’s bevindt waar de bevolking in de moeilijkste omstandigheden
tracht te overleven. ‘s Werelds allerarmsten - het is betekenisvol
dat daar een criterium voor bestaat: de allerarmsten zijn zij die
het met minder dan 1 Amerikaanse dollar per dag moeten doen - leven
voor het overgrote merendeel in die gebieden waar de biodiversiteit
het grootst is. 1,1 Miljard mensen, 20% van de wereldbevolking, leeft
in de 25 meest bedreigde zones, de zogenaamde biodiversiteit-hotspots.
In 19 van deze 25 hotspots neemt de bevolking sterker toe dan het
globale gemiddelde, wat betekent dat in de toekomst nog meer voedsel
moet worden geproduceerd.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat 45% van de 17.000 natuurgebieden
die de wereld rijk is intensief voor landbouwdoeleinden gebruikt worden.
Zo bleek pas nog dat het leefgebied dat voor de panda werd afgebakend
in sterkere mate milieuschade had opgelopen dan de gronden die zich
buiten het reservaat bevinden. Bovendien kan van wie in zo’n omstandigheden
moet overleven moeilijk verwacht worden dat zij ecologische bezorgdheden
boven alles plaatsen. Eerder nog moeten vragen gesteld worden bij
de praktijk daar land te reserveren voor bepaalde diersoorten.
Dat is precies wat McNeely en Scherr in het rapport ‘Common Ground,
Common Future’ doen. Volgens het rapport moeten we af van de strategie
natuurreservaten af te bakenen en het daarbij te laten. In de plaats
daarvan moet een manier gevonden worden om landbouw en bescherming
van de biodiversiteit met elkaar te verzoenen. Onder de noemer ‘ecoagricultuur’
stellen zij een zestal strategieën voor, waarvan in het rapport aan
de hand van concrete voorbeelden alvast wordt aangetoond dat ze in
de praktijk kunnen werken.