(Opgelet: deze artikels werden voor 2002 geschreven en zijn dus mogelijk gedateerd)

Kan ecoagricultuur de wereld redden?
Helft natuurparken wordt gebruikt voor landbouw - 09-05-2001

In een nieuw rapport komen twee toonaangevende milieuverenigingen tot de vaststelling dat de huidige aanpak om de biodiversiteit te bewaren niet werkt. De helft van de grote natuurparken wordt intensief gebruikt voor landbouw en er is een andere manier van natuurbescherming nodig om het tij te keren.

 

De huidige manieren om bedreigde diersoorten te beschermen gaan ervan uit dat zones gecreëerd moeten worden waarin de dieren ongemoeid worden gelaten, kleine vrijhavens waar ‘de natuur’ haar gang mag gaan en menselijke tussenkomst zoveel mogelijk beperkt wordt. Dat die aanpak niet altijd even succesvol is, bleek recent nog uit het Living Planet Report van het World Wildlife Fund, waarin te lezen staat dat de diversiteit in alle grote diergroepen flink terugloopt.

Twee gezaghebbende milieuverenigingen kwamen pas met een rapport naar buiten waarin zij op zoek gaan naar de oorzaken van het falende beleid. Daarnaast trachten zij ook oplossingen voor te stellen. De World Conservation Union (IUCN), een uniek partnerschap waarin 10.000 experts uit 181 landen verenigd zijn en de landbouwvereniging Future Harvest, namen hier twee jaar de tijd voor.

Volgens de auteurs, Jeffrey McNeely van het IUCN en Sarah Scherr van de universiteit van Maryland, moet het ecologische geweer dringend van schouder veranderd worden, want als het zo doorgaat zal binnen 50 jaar 50% van de diersoorten die in een bosbiotoop leven uitgestorven zijn. Overigens zijn niet alleen bosdieren in gevaar: volgens de auteurs speelt zich momenteel de grootste uitstervinggolf af sinds het uitsterven van de dinosauriër.

Het afschermen van bepaalde gebieden blijkt om verschillende redenen een falende strategie te zijn. Vaak is de oppervlakte, hoe uitgestrekt het soms ook mag lijken, ontoereikend. Veel diersoorten moeten migreren om te kunnen overleven, iets wat niet lukt binnen de natuurgebieden. Mede hierom zijn de populaties van een groot aantal diersoorten in de parken te klein om zichzelf in stand te houden.

De belangrijkste reden is echter dat een meerderheid van de natuurgebieden zich in regio’s bevindt waar de bevolking in de moeilijkste omstandigheden tracht te overleven. ‘s Werelds allerarmsten - het is betekenisvol dat daar een criterium voor bestaat: de allerarmsten zijn zij die het met minder dan 1 Amerikaanse dollar per dag moeten doen - leven voor het overgrote merendeel in die gebieden waar de biodiversiteit het grootst is. 1,1 Miljard mensen, 20% van de wereldbevolking, leeft in de 25 meest bedreigde zones, de zogenaamde biodiversiteit-hotspots. In 19 van deze 25 hotspots neemt de bevolking sterker toe dan het globale gemiddelde, wat betekent dat in de toekomst nog meer voedsel moet worden geproduceerd.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat 45% van de 17.000 natuurgebieden die de wereld rijk is intensief voor landbouwdoeleinden gebruikt worden. Zo bleek pas nog dat het leefgebied dat voor de panda werd afgebakend in sterkere mate milieuschade had opgelopen dan de gronden die zich buiten het reservaat bevinden. Bovendien kan van wie in zo’n omstandigheden moet overleven moeilijk verwacht worden dat zij ecologische bezorgdheden boven alles plaatsen. Eerder nog moeten vragen gesteld worden bij de praktijk daar land te reserveren voor bepaalde diersoorten.

Dat is precies wat McNeely en Scherr in het rapport ‘Common Ground, Common Future’ doen. Volgens het rapport moeten we af van de strategie natuurreservaten af te bakenen en het daarbij te laten. In de plaats daarvan moet een manier gevonden worden om landbouw en bescherming van de biodiversiteit met elkaar te verzoenen. Onder de noemer ‘ecoagricultuur’ stellen zij een zestal strategieën voor, waarvan in het rapport aan de hand van concrete voorbeelden alvast wordt aangetoond dat ze in de praktijk kunnen werken.

  • De productiviteit en het draagvlak van de bestaande landbouwgebieden moeten worden opgedreven.
  • Er moet meer aandacht besteed worden aan niet-vervuilende vormen van landbouw.
  • De landbouwgronden moeten ook met andere dan winstgewassen worden beplant, zodat het natuurlijke habitat ten dele kan worden nagebootst. Daarbij kunnen dan planten gebruikt worden die voedsel voor de plaatselijke bevolking opleveren, maar toch nauw aansluiten bij het habitat.
  • Aan landbouwers moet geleerd worden met de natuurlijke bronnen om te gaan op een manier die het habitat ten goede komt.
  • Op landbouwgrond kunnen verbindingen aangelegd worden waarlangs dieren van het ene naar het andere beschermde gebied kunnen gaan.
  • Dichtbij landbouwgronden moeten meer beschermde gebieden komen, waarbij ervoor gezorgd kan worden dat de lokale bevolking toch baat heeft bij deze reservaten. Ecotoerisme is hier een optie, maar lang niet de enige en wellicht niet de meest efficiënte. Het mag duidelijk zijn dat deze aanpak een drastische mentaliteitswijziging vereist. Landbouwers spannen zich al eeuwenlang in om op hun landbouwgronden alleen die dieren en planten te laten grazen en groeien die zij daar zelf kweken. Nu zou de ‘wilde natuur’ plots opnieuw toegelaten moeten worden op deze ‘getemde' grond. Maar de huidige evolutie toont aan dat een wijziging in het ecobeleid zich opdringt. Daarbij kan men niet blind blijven voor de problemen van de lokale bevolking en moet naar oplossingen worden gezocht die haalbaar zijn en kans op succes bieden. De landbouwgemeenschappen die de beperkte ruimte met bedreigde diersoorten delen moeten daarom nauw betrokken worden bij deze projecten, zodat het levenspeil van deze groepen kan worden opgekrikt zonder de lokale cultuur geweld aan te doen. Ecoagricultuur lijkt daar een uitermate geschikt middel voor te zijn.

    (DdV)

    Aansluitende artikels:

    De voetafdruk van de moloch - 20-10-2000

     


     
    Related links:

     

    World Conservation Union

    Future Harvest

    biodiversiteit

     

    © David de Vaal