(Opgelet: deze artikels werden voor 2002 geschreven en zijn dus mogelijk gedateerd)

100 jaar kwantummechanica
De geboorte van een nieuwe werkelijkheid - 14-12-2000

Op 14 december 1900 presenteerde Max Planck aan de Duitse Natuurkundige Kring een paper waarin hij voorstelde dat energie enkel kan worden ontvangen en verzonden in afzonderlijke pakketjes, die hij kwanta noemde. Het duurde enkele jaren voor de reikwijdte van die stelling doordrong, maar nu wordt dit algemeen aanzien als het moment waarop de kwantummechanica werd geboren.

 

Kwantummechanica is de tak van de natuurkunde die het gedrag van materie en licht op atomaire en subatomaire schaal bestudeert. De wereld van het allerkleinste, zeg maar. Kwantummechanici pakken wel eens uit met de boutade ‘wie zegt dat hij de kwantumtheorieën begrijpt, heeft er niks van begrepen’. Een mooi uitgangspunt, dat frustratie bij voorbaat vermijdt, maar vooral te maken heeft met het eigenaardige karakter van die wereld van het allerkleinste.

Kwantummechanica gaat in tegen het gezonde verstand, tegen de manier waarop we de alledaagse wereld ervaren en begrijpen. In de kwantumwereld zijn oorzaak en gevolg niet noodzakelijk met elkaar verbonden, kunnen subatomaire deeltjes zich op twee plaatsen tegelijk bevinden tot iemand het meet en kan licht zowel een golf als een deeltje zijn.

Op 14 december zal in Berlijn het startschot worden gegeven voor een week van festiviteiten. Dan is het immers precies 100 jaar geleden dat Max Planck een paper voorstelde die nu algemeen beschouwd wordt als de eerste steenlegging voor het kwantumtheoretische bouwwerk, waarin nu een schier oneindige reeks wetenschappelijke disciplines en praktische toepassingen onderdak hebben gevonden. Nochtans was hij, net als andere natuurkundigen in die tijd, enkel op zoek naar een beschrijving van de manier waarop de kleur (de spectrale kenmerken) van warmtestraling samenhangt met de temperatuur van het object.

Op dat moment werd algemeen aanvaard dat licht zich gedraagt als een golf, een wereld die streng gescheiden was van de manier waarop deeltjes zich gedragen. Planck kwam met een vergelijking op de proppen die mooi klopte met de resultaten van experimenten, maar kon aanvankelijk niet verklaren waarom deze vergelijking de juiste was. Op 14 december 1900 stelde hij toch een uitleg voor, maar noemde die zelf een ‘wanhoopspoging’. De oplossing bestond erin te aanvaarden dat atomen energie in aparte pakketjes, door Planck kwanta genoemd, uitstralen en niet in de continue golven die de elektromagnetische theorie veronderstelt. Een revolutionaire gedachte, maar Planck, die zichzelf altijd als een brave en oplettende burger beschouwde, bekeek het als een theoretische constructie die geen uitstaans had met wat er in werkelijkheid gebeurde. Desondanks kreeg hij in 1918 een Nobelprijs voor zijn ontdekking.

In 1905 zag een jonge klerk in een patentenbureau, Albert Einstein, meer in Plancks hypothese. Hij ontdekte dat ook het fotoelectrisch effect - de uitstoot van electronen wanneer een metalen oppervlak beschenen wordt met licht of x-stralen - verklaard kon worden door licht te beschouwen als een verzameling kleine energiebundeltjes: fotonen. Het leverde hem een Nobelprijs op in 1921.

Ook in 1905 ontdekte Rutherford de atomaire kern, een idee dat in 1913 door Niels Bohr verder werd uitgewerkt. Hij stelde voor een atoom als een miniatuur-zonnestelsel te beschouwen, waarbij elektronen als planeten om de atoomkern cirkelden. Elektronen kunnen daarbij niet eender welke omloop volgen, maar krijgen slechts de keuze tussen enkele banen. Meteen was verklaard waarom een atoom niet instort: de laagste omloop is nog steeds een eindje van de kern verwijderd. Het verklaart ook waarom verschillende elementen straling uitzenden in specifieke golflengten. Deze corresponderen met de energie die wordt vrijgegeven of geabsorbeerd als een electron naar een andere baan springt. Bohr ontving voor deze ontdekking de Nobelprijs in 1922, ook al bleek later dat zijn theorie enkel opgaat voor het meest eenvoudige waterstofatoom. Dat deed Max Born, een ander groot fysicus, besluiten dat “het hele conceptuele systeem van de fysica van de grond opnieuw moet worden opgebouwd”.

De Eerste Wereldoorlog zette tijdelijk een rem op de ontwikkelingen in de kwantummechanica, maar vanaf de jaren ‘20 gaat de kennis over de wereld van het allerkleinste met sprongen vooruit en worden zelfs twee verschillende kwantumtheorieën opgesteld.

Werner Heisenberg, Max Born en Pascual Jordan stelden een complete en consistente kwantumtheorie op, gebaseerd op Heisenbergs overtuiging dat de fysica gebaseerd moet worden op wat kan worden gezien en/of gemeten. Met behulp van matrices kon Heisenberg een aantal eigenschappen van subatomaire deeltjes berekenen, maar moest toen vaststellen dat de uitkomst afhing van de volgorde van de berekeningen. In 1927 kwam hij dan met het befaamde onzekerheidsprincipe voor de dag, dat stelt dat het onmogelijk is zowel de positie als de snelheid van een deeltje te meten. Een van beiden kan wel, beiden tegelijk echter niet.

Dat heeft niets te maken met de gebruikte meetapparatuur en het is niet zo dat we kunnen hopen dat een verdere verfijning van de meetinstrumenten het ooit mogelijk zal maken beide eigenschappen gelijktijdig te meten. Omdat de daad van meten zelf het systeem verstoort, kan hoogstens gemeten worden wat de staat van het systeem is na deze interactie. Heisenberg kreeg een Nobelprijs in 1932 voor zijn bijdrage aan de kwantummechanica.

De matrix-formulering van de kwantumtheorie maakt gebruik van erg geavanceerde wiskunde en zelfs topmathematici hadden moeilijkheden om ze toe te passen. Maar er stond een andere interpretatie aan te komen, die zijn oorsprong vindt bij de Franse aristocraat Louis de Broglie. Hij stelde zich in zijn doctoraatsthesis de vraag of deeltjes zich niet als een golf konden gedragen. Dat werd later experimenteel bevestigd door Clinton Davisson en George Thomson die hiervoor, jawel, een Nobelprijs kregen in 1937. Overigens had de vader van George Thomson, Joseph Thomson, in 1906 een Nobelprijs ontvangen voor zijn bewijs dat het electron een deeltje is.

De Brognies werk inspireerde Erwin Schrödinger, die het electron niet als een punt of als een tabel (of matrix) bekijkt, maar als een golffunctie, een wiskundige entiteit die door Born werd verklaard als de kans om een electron op een bepaalde plaats te vinden. Daarmee veroverden noties waar klassieke fysici een ernstige allergie voor hadden ontwikkeld - kans en waarschijnlijkheid in plaats van voorspelbaarheid en zekerheid - definitief een plaatsje in de natuurkunde. In 1933 kreeg Schrödinger een Nobelprijs voor zijn werk.

Aanhangers van beide kwantumtheorieën vonden elkaars oplossingen maar niks. Heisenberg noemde Schrödingers theorie “walgelijk”, maar andere natuurkundigen vonden Heisenbergs constructie dan weer niet om aan te zien. Veel maakte het allemaal niet uit, want beide theorieën bleken mathematisch equivalent te zijn.

Nog was niet iedereen tevreden. In 1928 verbond Paul Dirac Einsteins bijzondere relativiteitstheorie met de kwantummechanica, voorspelde en passant het bestaan van antimaterie en stond aan de basis van de ontwikkeling van een nieuwe interpretatie van de kwantumtheorie, de kwantum veld-theorie, die vandaag in de deeltjesfysica algemeen gebruikt wordt. Het Nobelprijscomité kon niet meer volgen en Dirac moest zijn Nobelprijs in 1933 delen met Schrödinger.

Inmiddels is de kwantummechanica overal. Het heeft de logica achter het Periodiek Systeem van Mendeljev blootgelegd, heeft geholpen de nucleaire processen in de zon bloot te leggen, vindt zijn toepassing in cd-spelers enzovoort. Het heeft de basis van de klassieke natuurkunde grondig gesloopt en is een wetenschappelijke revolutie geweest die de aanblik van de wereld voorgoed veranderde.

De eigenaardige conclusies waartoe de kwantummechanica hebben geleid, kunnen niet iedereen bevredigen. Einstein erkende de grote waarde ervan, maar zei ook dat “de theorie ons niet dichter bij het geheim van ‘De Oude’ brengt. Hij (God) speelt niet met dobbelstenen”. Kwantummechanica wordt nu gebruikt om alle natuurlijke fenomenen te verklaren, op de zwaartekracht na. Men is nu op zoek naar de Grote Geünificeerde Theorie, die zwaartekracht en kwantumtheorie met elkaar moet verzoenen. De kandidaat die daarbij nu het meeste aandacht krijgt is de supersnaartheorie, waarbij de werkelijkheid wordt gezien als bestaande uit kleine snaren, die vibreren in een 10-dimensionele ruimte. Maar eigenlijk weet men nog altijd niet wat een electron nu precies is. Er is wel een theorie die uitstekend blijkt te werken, ook al gaat zij het rationele begripsvermogen te boven. En voorlopig is dat meer dan genoeg.

(DdV)


 
Related links:

 

Albert Einstein

Een mooi vormgegeven en toegankelijke introductie in de kwantummechanica

 

© David de Vaal