(Opgelet: deze artikels werden voor 2002 geschreven en zijn dus mogelijk gedateerd)

Tien nieuwe exoplaneten gevonden
Bestaan van andere planetenstelsels wordt steeds waarschijnlijker - 08-08-2000

Het congres van de International Astronomy Union(IAU), dat momenteel in Manchester wordt gehouden, heeft al behoorlijk wat stof doen opwaaien. Er werd namelijk bekend gemaakt dat er belangrijke aanwijzingen zijn voor het bestaan van tien voorheen onbekende planeten buiten ons zonnestelsel.

 

Opwindend congres te Manchester
Het mogelijke bestaan van extrasolaire planeten, planeten buiten ons eigen zonnestelsel, prikkelt al eeuwen de verbeelding. Erover fantaseren was niet altijd een even ongevaarlijke bezigheid. In 1600 werd Giordano Bruno op de brandstapel gebracht voor, onder andere, zijn suggestie dat er andere werelden zouden kunnen bestaan. Hedendaagse astronomen liepen weliswaar geen lijfelijke gevaren meer, maar tot voor enkele jaren was het opperen van het bestaan van exoplaneten toch nog reden om onthaald te worden op wetenschappelijk hoongelach.

Vandaag is zo goed als alle scepsis verdwenen en verspreiden de media enthousiast de berichten over nieuwe ontdekkingen van zodra wetenschappers aanwijzingen bekend maken van voorheen onbekende planeten. Maandag werd op het congers van de IAU wel een bijzonder grote vangst gemeld: drie onderzoeksgroepen maakten melding van maar liefst tien nieuwe exoplaneten, wat het voorlopig totaal op 50 zou brengen. Bovendien werden, voor de tweede keer, meerdere planeten ontdekt die rond dezelfde ster cirkelen, heuse extrasolaire planetaire stelsels dus.

Vrijdag al maakten medewerkers van de universiteit van Austin, Texas, de ontdekking van een planeet rond de ster Epsilon Eridanibekend. Die ster staat op ‘slechts’ 10,5 lichtjaar van de aarde, sterrenkundig gezien in onze achtertuin. Aan de Universiteit van Californië in Berkeley werden drie nieuwe planeten ontdekt, en van vijf planeten werden aanwijzingen gevonden dat zij vergezeld worden van andere objecten. Medewerkers van het Zwitserse observatorium in Genève vonden maar liefst zes nieuwe planeten. Ook zij vonden aanwijzingen van het bestaan van een planetair stelsel met daarin een reeds bekende planeet.

Samengevat werden rond de volgende sterren planeten ontdekt:

  • Epsilon Eridani: ontdekt door het team van W.D. Cochran, universiteit van Austin
  • HD12661: ontdekt door het team van G. Marcy en P. Butler, universiteit van Californië
  • HD92788: ontdekt door het team van G. Marcy en P. Butler, universiteit van Californië
  • HD 38529: ontdekt door het team van G. Marcy en P. Butler, universiteit van Californië, aanwijzingen voor bestaan van een tweede object
  • HD83443: ontdekt door het team van M. Mayor, observatorium van Genève, tweede planeet die rond deze ster cirkelt, kleinste planeet die totogtoe werd ontdekt
  • HD6434: ontdekt door het team van M. Mayor, observatorium van Genève
  • HD19994: ontdekt door het team van M. Mayor, observatorium van Genève
  • HD92788: ontdekt door het team van M. Mayor, observatorium van Genève
  • HD121504: ontdekt door het team van M. Mayor, observatorium van Genève
  • HD190228: ontdekt door het team van M. Mayor, observatorium van Genève

    Wiebelende sterren
    De eerste ontdekkingen van exoplaneten dateren van 1995, en de primeur was voor Michel Mayor, die op 6 oktober van dat jaar bekend maakte dat hij een planeet rond de ster 51 Pegasihad ontdekt. Sindsdien heeft het onderzoek hieromtrent een hoge vlucht genomen. Dat is vooral te wijten aan aanzienlijke verbeteringen in het gebruikte instrumentarium, met name in de spectografie.

    Omdat de afstand tot de extrasolaire planeten zo gigantisch is kunnen de planeten immers niet letterlijk ‘gezien’ worden, hoewel er nu een kans bestaat dat de Hubble ruimtetelescoop toch beelden zou kunnen maken van de planeet bij Epsilon Eridani. Het ontdekken van een exoplaneet is dan ook een complex statistisch proces dat gebaseerd is op de zwaartekrachteffecten van de planeet op de ster waarrond ze haar baan volgt. Een planeet oefent een zekere aantrekkingskracht uit op zijn ‘moederster’ waardoor de ster een minieme schommeling vertoont. Deze schommeling - in het Engels ietwat frivool ‘wobble’ genoemd - is zichtbaar in de roodverschuiving - het dopplereffect - van de ster en kan door spectrografisch onderzoek aan het licht worden gebracht.

    Het belang van het Doppler-effect voor de moderne astronomie kan moeilijk overschat worden: men kwam er de uitdijing van het heelal mee op het spoor en daarmee de oerknal, de eigenbewegingen van sterrenstelsels werden ermee vastgesteld, het laat toe de massa’s van binaire sterren te meten, men kwam er mee op het spoor van vreemde structuren als de Grote Aantrekker enzoverder. Kortom, zowat het volledige hedendaagse theoretische corpus van de sterrenkunde berust op de vaststellingen die Johann Christian Doppler in de eerste helft van de 19e eeuw deed.
    Het doppler-effect wordt door zowat iedereen dagelijks waargenomen, bv. wanneer men door een ambulance met loeiende sirene voorbij wordt gereden. Wanneer de ambulance voorbijrijdt, verandert de toon van de sirene. Als de wagen aan komt gereden worden de geluidsgolven samengedrukt door de snelheid van het vehikel waardoor ze een hogere frequentie krijgen. Bij een ziekenwagen die zich van een observator verwijdert doet zich het omgekeerde voor.
    Ook Doppler demonstreerde dit effect met behulp van geluidsgolven, maar eenzelfde verschijnsel doet zich ook bij lichtgolven voor: lichtgolven afkomstig van een bron die zich naar een waarnemer toe beweegt verschuiven naar kortere golflengtes, wat overeenkomt met een blauwe kleur in het spectrum. De omgekeerde beweging levert een roodverschuiving op.

    Fluctuaties in de roodverschuiving kunnen astronomen op het spoor brengen van grote lichamen in de buurt van een ster, precies omdat deze lichamen verantwoordelijk zijn voor veranderingen in de snelheid waarmee deze ster zich door het heelal beweegt. Daarbij moeten een groot aantal factoren in rekening worden gebracht: de invloed van de bewegingen van de observator, met andere woorden de bewegingen van de aarde, en de invloed van andere objecten in de buurt van de onderzochte ster. Het effect van deze factoren op het ‘wiebelen’ van de ster moet dan eerst uit de observaties worden weggefilterd. Blijft er daarna nog steeds een ‘wobble’ over, dan kan besloten worden dat rond de ster een planeet cirkelt.

    Er zijn overigens nog twee andere methodes waarmee exoplaneten opgespoord kunnen worden. Een eerste, de astrometrische methode, is gebaseerd op onderzoek van de baan van een ster en de tweede methode meet variaties in de uitgezonden radiostraling van een ster. Met name de astrometrische methode heeft voor enkele teleurstellingen gezorgd, en vermits alle recente ontdekkingen uitgingen van spectroscopisch onderzoek kan besloten worden dat de meeste onderzoekers deze piste volgen.

    Grote verschillen met ‘ons’ zonnestelsel
    Eerst en vooral dient te worden opgemerkt dat niet iedereen ervan overtuigd is dat de schommelingen veroorzaakt zouden zijn door planeten. Sommigen zijn er namelijk van overtuigd dat het veel waarschijnlijker is dat het hier gaat om ‘bruine dwergen’, mislukte sterren waarvan de massa te klein is om de nucleaire processen in de kern, die nodig zijn om energie uit te stralen, op gang te brengen. Desondanks is de consensus dat het toch om planeten gaat redelijk groot.

    Uit verdere analyses van de schommeling kan men karakteristieken van de exoplaneten proberen af te leiden. Het wekt waarschijnlijk geen verwondering dat vooral grote planeten worden ontdekt, vermits deze een grotere schommeling van de ster zullen veroorzaken. Standaard wordt de massa van de ontdekte planeten dan ook uitgedrukt in Mj, Jupiter Massa, gebaseerd op de grootste planeet -met een massa van 318 keer die van de aarde - van ons zonnestelsel. De kleinste totnogtoe ontdekte planeet cirkelt rond HD83443 en heeft een massa die overeenkomt met iets meer dan zeven keer die van de aarde. Niet iedereen is er overigens van overtuigd dat de beperkingen opgelegd door de onderzoeksmethodes er de oorzaak van zijn dat de vondst van een kleine planeet uitblijft. Als een reuzeplaneet een kleinere planeet op slechts enkele AU’s (Astronomische Eenheid: 1AU is 1 keer de afstand van de aarde tot de zon) passeert dan is het zeer goed mogelijk dat de kleinere planeet weggeslingerd wordt - net zoals ruimtetuigen als Voyager gebruik maken van dat slingereffect om snelheid te winnen - veroordeeld tot een eenzame en vooral erg koude zwerftocht in de interstellaire ruimte. Dat dit niet in ons zonnestelsel gebeurd is zou een gevolg kunnen zijn van een louter toevallige maar ideale verdeling van de totale massa.

    Het onderzoek naar de aard van de planeten, dat uiteraard ernstig gehinderd wordt door een gebrek aan gegevens, bracht ook nog andere opvallende afwijkingen van het ons best bekende planetenstelsel aan het licht. Zo wentelen heel wat reuzeplaneten erg dicht om de ‘moederster’. Rond de ster HD38529 bv., cirkelt een planeet met een massa van 0,77Mj op een afstand van 0,13 AU . Een ‘jaar’ duurt op deze planeet slecht iets langer dan 14 dagen.
    De meest opvallende vaststelling betreft echter de banen van deze planeten. Deze zijn doorgaans erg excentrisch en dit in tegenstelling met de bijna cirkelvormige banen die de planeten om onze zon volgen. Dit heeft belangrijke gevolgen voor de meest tot de verbeelding vraag die bij dit soort onderzoek al gauw wordt gesteld: is er leven mogelijk op de exoplaneten? Als de planeet nu eens op dichtbij zijn ‘zon’ staat en op andere momenten op een veel grotere afstand, dan heeft dat natuurlijk grote gevolgen voor de temperatuur op die planeet, die dan erg grote fluctuaties zal vertonen. Dat is volgens sommigen een grote handicap voor de ontwikkeling van organisch leven. Tot vandaag werd er slechts één planeet ontdekt die een min of meer cirkelvormige baan volgt, waardoor het erop lijkt dat banen waarin de planeten op een min of meer stabiele afstand rond hun ‘zon’ draaien eerder uitzondering dan regel zijn.

    De toekomst
    De grote planeten die ontdekt zijn prikkelen de verbeelding, maar verbleken bij de opwinding die zou ontstaan als naast de reeds ontdekte gasreuzen ook kleinere, op de aarde gelijkende planeten ontdekt zouden worden. De huidige wetenschappelijke stand van zaken verhindert dat echter, het is immers nog niet mogelijk kleinere planeten op te sporen. Wetenschappers moesten zich namelijk beperken tot het gebruik van observatoria op aarde. In de nabije toekomst zou daar verandering in kunnen komen. NASA plant de lancering van twee ruimtetelescopen die specifiek op zoek zouden gaan naar planeten die overeenkomsten met de aarde vertonen. In 2006 zou de Space Interferometry Missionvan start moeten gaan, wat astronomen zou moeten helpen bij het opsporen van ‘wiebelende’ sterren. Voor 2013 is een nog ambitieuzer project gepland, het Terrestrial Planet Finder Projectmet apparatuur om exoplaneten op te sporen, te fotograferen en de planetaire atmosferen te bestuderen. We staan dus maar aan het begin van de exploratie van extrasolaire sterrenstelsels, en het zouden wel eens erg opwindende tijden kunnen worden. (DdV)

     


     
    Related links:

    De Space Interferometry Mission. Deze pagina is nog niet afgewerkt, maar zal worden aangevuld naarmate het project vordert.
    Informatie over de Terrestrial Planet Finder Mission
    Een dossier van Scientific American over extrasolaire planeten uit 1996, met links naar meer recente informatie.
    Uitstekende informatie over het doppler-effect

     

    © David de Vaal