SETI
breidt uit
Naast
radiosignalen nu ook op zoek naar lichtbakens - 05-02-2001
Na
twee jaar werken hebben 30 specialisten - ingenieurs, astronomen,
technici - een toekomstplan voor SETI klaargestoomd, het project dat
al sinds 1984 op zoek is naar intelligent buitenaards leven. Naast
radiosignalen wil men nu ook op zoek gaan naar lichtflitsen van buitenaardse
beschavingen.
Toen
in 1993 door een politieke beslissing alle financiële steun aan NASA’s
High Resolution Microwave Survey - de voorloper van het Search for
Extra Terrestrial Intelligence (SETI) - wegviel, leek de wetenschappelijk
verantwoorde zoektocht naar buitenaards leven ten dode opgeschreven
te zijn. Maar het project bleek over genoeg aantrekkingskracht te
beschikken om nieuwe geldschieters te lokken en dankzij de steun van
kapitaalkrachtige ondernemers als William Hewlett, David Packard,
Gordon Moore (Intel, bekend van Moore’s Law) en Paul Allen (medeoprichter
van Microsoft) kon het oorspronkelijke SETI-team bij elkaar blijven
en zelfs nog worden uitgebreid. Sindsdien zijn meer dan 63 projecten
beëindigd of nog steeds aan de gang, met de steun van prestigieuze
wetenschappelijke organisaties als NASA, de Internationale Astronomische
Unie, het Amerikaanse Ministerie voor Energie en een hele rits technologische
bedrijven. Het mag duidelijk zijn: SETI is springlevend en kan nog
steeds op de steun en het enthousiasme van zowel de wetenschappelijke
wereld als het grote publiek rekenen.
Want dat ook het grote publiek gefascineerd is met de zoektocht naar
intelligent leven buiten de aarde, bleek toen iets langer dan een
half jaar geleden SETI@Home van start ging. Om het gebrek aan rekenkracht
op te vangen, deed men toen een beroep op ieder die over een computer
en een internetverbinding beschikt om mee te helpen aan de verwerking
van de gigantische hoeveelheden data die verzameld werden door de
bij het project betrokken radiotelescopen. Op korte tijd tekenden
meer dan 2,6 miljoen gebruikers uit 226 landen in en ondertussen hebben
zij samen 500.000 jaar computertijd verzet. Dankzij de bereidwilligheid
van deze duizenden computergebruikers, is nu al 500.000 jaar aan computertijd
verzet en elke dag wordt daar opnieuw 1000 jaar aan toegevoegd. Dankzij
deze vorm van ‘distributed computing’ beschikt SETI veruit over de
krachtigste computer ter wereld.
Nu kijkt SETI opnieuw vooruit en heeft een denktank net een rapport
afgewerkt waarin een strijdplan wordt opgesteld voor de volgende jaren.
In de eerste plaats zal project Phoenix worden verder gezet en uitgebreid.
Phoenix is de naam waarmee het systematische radiografische onderzoek
van een duizendtal sterren sinds 1995 door het leven gaat. Dat heeft
twee voordelen: zo kan meer tijd besteed worden aan zwakke signalen
en kunnen alle opmerkelijke signalen binnen 20 minuten door een tweede
radiotelescoop worden onderzocht.
Om radiosignalen op te sporen, maakt SETI gebruik van een aantal van
de grootste telescopen ter wereld, met een diameter variërende van
40 tot 300 meter. De beroemdste daarvan is ongetwijfeld het Arecibo
Observatorium in Puerto Rico. In het Phoenix-programma wordt de bandbreedte
tussen 1000 en 3000 MHz onderzocht, omdat daar het minste hinder optreedt
door natuurlijke ruis afkomstig van sterren, nevels, gaswolken en
andere ruimtefenomenen. Men kijkt vooral uit naar signalen die zich
op een zeer precieze locatie op deze bandbreedte manifesteren, met
een breedte van maximaal 300 Hz, omdat dat zou wijzen op een artificieel
geproduceerd signaal.
Een nadeel is wel dat SETI-astronomen slechts beperkt gebruik kunnen
maken van de geschikte telescopen. Daarom is men nu naarstig aan het
werk om het Allen Telescope Array, een netwerk van kleine, ‘en masse’
geproduceerde telescopen, af te werken. Op een terrein van 10.000
m2 zullen vanaf 2005 enkele honderden telescopen full-time
ter beschikking staan van SETI.
Daarnaast heeft men zich ook de bedenking gemaakt dat eventueel hoogontwikkelde
buitenaardse wezens niet noodzakelijk gebruik maken van de wat primitieve
radiosignalen, maar misschien wel met licht proberen de aandacht op
zich te vestigen. De beste kandidaat lijkt dan pulserend laserlicht
te zijn. Met de bestaande, aardse technologieën kan een dergelijke
straal krachtig genoeg gemaakt worden om het licht van een nabijgelegen
ster te overtreffen en bovendien is totnogtoe geen enkel natuurlijk
verschijnsel bekend dat lijkt op een snel knipperend laserlicht.
Een detectiesysteem voor dergelijke buitenaardse vuurtorens staat
al in de steigers en blijkt uitstekend te functioneren. De kansen
om een extraterrane lichtshow te ontdekken is wel kleiner dan de kans
op succes met de beproefde radiomethode, omdat een lichtsignaal precies
op de aarde gericht zou moeten worden voor het hier kan worden waargenomen.
Hoe dan ook blijft de SETI-buit voorlopig eerder aan de magere kant.
Er zijn al enkele verbazende signalen onderschept, maar uiteindelijk
bleken die op enkele uitzonderingen na allemaal afkomstig te zijn
van spionage- en andere satellieten. Eén van de opvallendste anomalieën
is het WOW!-signaal, dat op 15 augustus 1977 werd onderschept in een
onderzoek gelijkaardig aan het Phoenix-project. Jerry Ehman, die het
signaal op een printout te zien kreeg, merkte een eigenaardige combinatie
van gegevens op, omcirkelde ze en schreef WOW! in de marge. Nooit
is duidelijk geworden wat het signaal precies was. Het heeft alle
eigenschappen van dat waar men in SETI en gelijkaardige programma’s
naar op zoek is, op één na: het is slechts eenmalig waargenomen. En
dat is wat mager om te besluiten dat er wel degelijk intelligent leven
‘out there’ is. Maar het kan zeker dienen om de moed erin te houden.
(DdV)
Related links:
SETI@Home
Het
Wow-signaal
Het
Arecibo Observatorium
©
David de Vaal