E.T.
bestaat!
Ontdekten
de Vikings al in 1976 Mars-microben? - 30-07-2001
In
1976 landden de twee Vikings op Mars, met aan boord apparatuur om
op de Rode Planeet naar leven te speuren. Toen de resultaten binnenliepen,
besloot de meerderheid van de betrokken wetenschappers dat op Mars
geen levende cel te vinden was, maar dissidenten bleven het tegendeel
beweren. Door de gegevens van de Vikings opnieuw te onderzoeken, blaast
Joseph Miller het debat nieuw leven in. Hij ontdekte dat chemische
processen die wijzen op leven een bijzondere regelmaat aan de dag
legden, met intervallen precies gelijk aan de lengte van 1 Mars-dag...
Een
omstreden experiment
Na een reis van 11 maanden sloegen Viking
1 en 2
erin om respectievelijk op 20 juli en 3 september 1976 een geslaagde
landing te maken op de planeet Mars. De 25ste
verjaardag werd pas gevierd, meteen een ideale gelegenheid om
enkele van de experimenten die destijds werden verricht opnieuw te
bekijken. Joseph Miller nam die taak wel heel ernstig op, dook diep
de archieven van NASA in en kwam pas afgelopen zondag met zijn bevindingen
op de proppen. Zijn conclusie was spectaculair: het bewijs dat op
Mars leven aanwezig is – en waarnaar zowel de Amerikaanse als de Europese
ruimtevaartorganisatie ijverig op zoek zijn – werd al 25 jaar geleden
geleverd.
De Viking-missie
was een succes. Voor het eerst landde een aards tuig op Mars en kon
de mens eindelijk het desolate planeetoppervlak aanschouwen. Een vloedgolf
aan gegevens werd naar de aarde gestuurd, waaronder de resultaten
van drie experimenten, proeven die werden opgezet met het uitdrukkelijke
doel dé hamvraag voor eens en altijd de beantwoorden: Is er leven
op Mars?
Een eerste test was het ‘Labeled Release experiment’ (LR), waarbij
de Viking lander een staal nam van de marsbodem, het stof in een schaaltje
gooide en er een soepje met daarin koolstof-14 overheen goot. Als
er levende organismen in het staal zaten dan zouden die het goedje
opnemen en bij de metabolisering ervan zou gas vrijkomen, zo was de
theorie. Het gas kon dan herkend worden door het C-14 label dat was
aangebracht. De Vikings, die beiden hetzelfde experiment uitvoerden,
namen allebei gas waar en dit ene experiment leek dan ook op het bestaan
van Martiaans leven te wijzen.
De opwinding ebde echter snel weg, want een tweede experiment trok
de waarnemingen van de Vikings in twijfel. Aan boord was immers ook
een ‘gas chromatograph masspectrometer’, ontworpen om organische moleculen
op te sporen. Het instrument sloeg er echter niet in ook maar één
organische molecule te ontdekken. Een grote meerderheid van de onderzoekers
was dan ook van mening dat Mars levensloos was en dat het LR-experiment
doodgewoon een verkeerd resultaat had opgeleverd. De oorzaak van deze
vergissing werd ook achterhaald: er was een stof op Mars aanwezig
die net hetzelfde effect teweegbrengt als levende cellen in het LR-experiment.
Meer zelfs, de aanwezigheid van deze stof betekende ook dat leven
op Mars geen kans maakt. Het zou immers om een oxideermiddel gaan,
dat ook organische materiaal afbreekt en Mars als het ware steriliseert.
Gilbert Levin, als wetenschapper betrokken bij de Viking-missie en
verantwoordelijk voor het LR-experiment, kon zich echter nooit bij
de algemene conclusie neerleggen. Hij was van mening dat men de resultaten
te snel onder de mat veegde. Als er dan zoveel oxidanten op Mars aanwezig
zijn, hoe komt het dan dat er materiaal aan de magneten van de Vikings
en de Mars Pathfinder
(1997) bleven kleven? Volgens Levin betekent dit dat er geen bodemprocessen
aan het werk zijn die een sterk oxiderend effect hebben, aangezien
dan ook alle magnetiseerbare stoffen geöxideerd moeten worden en er
dus niets aan de magneten kan blijven kleven. Samen met enkele medestanders
is hij er dan ook van overtuigd dat zijn experiment in 1976 wel leven
op Mars had ontdekt en oppert hij dat het de spectrometer was die
niet naar behoren functioneerde. Recente vindingen zouden aantonen
dat het instrument mogelijk organische moleculen, ook al zijn die
aanwezig, niet opmerkt.
90%
zekerheid?
Een echte doorbraak zijn de beweringen van Levin natuurlijk niet,
maar in het licht van een recente toespraak van Joseph Miller, een
celbioloog aan de Universiteit van Zuid-Californië, wordt het wel
steeds moeilijker Levin te negeren. Op de 46ste bijeenkomst van de
International Society for Optical Engineering
stelde Miller zijn onderzoek voor, gebaseerd op de gegevens die
door de Vikings naar de aarde werden gestuurd.
Miller had in een eerdere publicatie opgemerkt dat er in het LR-experiment
sprake was geweest van een periodieke gasontsnapping. Als onderzoeker
is Miller bijzonder geïnteresseerd in periodieke fenomenen. Hij onderzoekt
als bioloog immers de dagritmes, een wetenschappelijk veld dat de
laatste jaren een hoge vlucht heeft genomen. Op aarde is ondertussen
al duidelijk geworden dat zowat elke vorm van leven – van de mens
tot algen – gehoorzamen aan het dag- en nachtritme dat de zon ons
oplegt.
De gegevens toonden aan dat onmiddellijk nadat het bodemstaal met
het C-14 mengsel in aanraking was gebracht, een grote hoeveelheid
gas was ontsnapt. Belangrijker is echter dat ook lang daarna nog gas
ontsnapte: het proces ging 9 weken lang door. Recent onderzoek toont
echter aan dat superoxidanten hun werk vrij snel doen en dus verklaringswaarde
verliezen voor een 9 weken durend effect. De kern van zijn betoog
betreft bovendien de manier waarop de gasontsnappingen plaats vonden:
ritmisch, met een steeds terugkerende periode van 24,66 uur. Precies
de lengte van een dag op de planeet Mars en volgens biologen een teken
dat uitdrukkelijk in de richting van een levend organisme wijst.
Het feit dat wat het ook was dat ervoor zorgde dat de Vikings gas
waarnamen zich naar het dag-nacht ritme op Mars schikt, maakt het
volgens Miller dus erg waarschijnlijk dat er wel degelijk levende
organismen op de Rode Planeet te vinden zijn. Een chemische verklaring
valt nog steeds niet uit te sluiten, maar wordt wel wat onwaarschijnlijker,
zegt de vorser. Samen met de recente
rapporten waarin wordt geopperd dat op Mars nog tot recent water
te vinden was, lijken er voldoende voorwaarden vervuld te zijn om
leven in Mars in stand te houden. “Ik denk dat de onderzoekers
in 1976 goede redenen hadden om aan te nemen dat hun experiment leven
had ontdekt: ik zou zeggen, met een zekerheid van 75%. Nu, met deze
ontdekking, zou ik zeggen dat de zekerheid meer dan 90% is. En ik
denk dat heel wat biologen het met mij eens zouden zijn”, zei
de vorser.
Uitgeklaard is de zaak nog lang niet, maar de recente ontdekkingen
zijn goede redenen om met spanning uit te kijken naar de volgende
jaren, want er is een heuse Armada op weg naar de Rode Planeet. Op
dit moment is NASA’s
Mars Odyssey, die niet zal landen, onderweg, maar vooral de missie
van de Europese ruimtevaartorganisatie ESA is in deze belangrijk.
Zij zullen de Mars
Express lanceren, met aan boord de lander Beagle
2. Beagle 2 heeft verfijnde apparatuur aan boord om te slagen
waar de Vikings mogelijk faalden: het detecteren van organische moleculen
op Martiaanse bodem. NASA stuurt in 2004 de inmiddels beroemde tweeling-robotwagentjes
op pad, maar het zal ten vroegste 2011 zijn vooraleer een missie wordt
gelanceerd waarbij bodemstalen van Mars naar de aarde worden gebracht.
David
de Vaal
Aansluitende artikels:
Ijstijden
op de Rode Planeet - 27-07-2001
De
dag dat Mars tot leven kwam – 29-03-2001
‘Cellen’
uit interstellair stof – 30-01-2001
Liften
door het heelal – 01-08-2000
Related links:
De
Viking-missie
Viking
1
Viking
2
Mars
Pathfinder
Mars
Express
Beagle
2
Mars Odyssey
De
‘twin rovers’
©
David de Vaal