(Opgelet: deze artikels werden voor 2002 geschreven en zijn dus mogelijk gedateerd)

Zijn de kosmologische constanten veranderlijk?
En ander nieuws uit de ruimte - 17-08-2001

Het vermoeden doet al langer de ronde, maar lijkt nu voor het eerst ernstig genomen te worden: de lichtsnelheid en andere kosmologische constanten zouden misschien toch minder constant zijn dan hun naam doet vermoeden. En er is meer nieuws uit de diepten van de ruimte: recent werd dan toch een exoplanetenstelsel gevonden dat lijkt op het onze, werden plaatsen bezocht die zo ver in het verleden liggen dat het eerste licht nog niet was geboren en kwam men er eindelijk achter waar de x-stralen die het zonnestelsel doorboren vandaan komen.

 

Veranderlijke constanten?

In wat mogelijk tot een revolutionaire publicatie zou kunnen uitgroeien, beweren een aantal astrofysici dat de fijnstructuurconstante, een variabele die de kracht van de interactie tussen geladen deeltjes beschrijft, minder constant is dan altijd werd aangenomen. Volgens hen was de waarde van deze constante in het verleden licht verschillend van vandaag, een vinding die verstrekkende gevolgen zou kunnen hebben, maar misschien ook enkele van de vele mysteries die de kosmos nog steeds kenmerken zou kunnen helpen ontrafelen.

Het artikel werd gepubliceerd in Physical Review Letters, zowat het meest prestigieuze en betrouwbare tijdschrift van het vakgebied. De onderzoeksgroep die voor de ophefmakende tekst tekende werd geleid door John K. Webb, verbonden aan de universiteit van New South Wales in Sydney.

Met ’s werelds grootste enkelvoudige telescoop – het Keck observatorium - bestudeerden ze het gedrag van metaalatomen op een afstand van ongeveer 12 miljard lichtjaar. Metaalatomen als zink en aluminium slorpen licht op, waardoor het spectrum van het licht een specifiek patroon oplevert. De waarde van de golflengtes wordt bepaald door de fijnstructuurconstante. De vorsers pasten dit proces toe op het licht dat van een quasar afkomstig is, maar stelden vast dat het golflengte-patroon – dat wel eens met een vingerafdruk wordt vergeleken omdat het zo onveranderlijk is – doorheen de tijd wijzigde.

Dit verrassende resultaat kan volgens de vorsers verklaard worden door aan te nemen dat de fijnstructuurconstante groter wordt naarmate men het heden nadert. Als dit klopt, dan is het zelfs mogelijk dat de lichtsnelheid niet altijd hetzelfde is geweest, want deze constante is opgenomen in de fijnstructuurconstante. Niet dat het om spectaculaire wijzigingen gaat: het verschil bedraagt nauwelijks 1/100.000.

De gevolgen zijn echter wel verstrekkend. Het Standaardmodel, de basis om de fysieke wereld te beschrijven, zou onder druk komen te staan, ook al weerstaat het al jarenlang de meest rigoureuze testen en slaagt het erin een grote variëteit aan fenomenen te verklaren. Veranderlijke constanten zouden bovendien alles beïnvloeden dat we op dit moment over het heelal denken te weten: de grootte en leeftijd, zelfs hoe het ontstaan is. Maar wie zich liever voorhoudt dat het glas half vol is, ziet in de potentiële variabiliteit van de natuurkundige constanten een kans om enkele van de astronomische raadsels vanuit een andere hoek te bekijken. Misschien werpt het een licht op de ‘donkere energie’, een antizwaartekracht die verantwoordelijk geacht wordt voor het feit dat de uitdijing van het heelal nog steeds versnelt. Of donkere materie, de materie waarvan de natuurkunde heeft berekend dat ze aanwezig moet zijn – in veel grotere mate dan zichtbare materie – maar waarvan geen mens weet wat het zou kunnen zijn.

Ook supersnaartheoretici zijn enthousiast, want zij beschikken over een model dat minder problemen zou hebben om veranderlijke constanten te integreren. Supersnaartheorieën voorspellen immers het bestaan van kleine, extra dimensies en wijzigingen in de grootte van deze dimensies zou een wijziging van de waarde van constanten kunnen meebrengen.

Zo ver is het echter nog lang niet. Want hoewel de studie met uitzonderlijk veel zorg werd voltooid – de statistische kans dat het resultaat niet met de onderzoeksgegevens overeenstemt is 1/10.000 - en er veel aandacht ging naar het controleren van de gegevens door externe experts, is de eenvoudigste verklaring voor de vaststellingen nog steeds dat er een kleine fout in de studie geslopen is. De vele natuurkundigen die al gereageerd hebben op de studie, vermoeden dat het onderzoek de tand des tijds en de vele controles waaraan ze ongetwijfeld onderworpen zal worden, niet zal doorstaan. Dat neemt echter niet weg dat iedereen onder de indruk is van het werk van Webb en zijn team en zich voorbereidt om de resultaten te aanvaarden.

Raadsel opgelost

Al meer dan 20 jaar vroegen astronomen zich af waar de ‘harde’, korte-golf x-stralen die de schijf van ons sterrenstelsel doorsnijden, vandaan komen. Twee theorieën hielden al die tijd stand: of de röntgenstralen zijn afkomstig van krachtige sterren die deel uitmaken van de Melkweg, of ze worden uitgezonden door Plasma dat door het sterrenstelsel zweeft. Alleen bleek het erg moeilijk één van beide theorieën te testen, want de regio die daarvoor onderzocht moet worden kreeg niet voor niets de bijnaam ‘te vermijden zone’. Dikke stof- en gaswolken blokkeren er elk optisch signaal. Radio-, infrarode en röntgenstralen kunnen de wolken wel doordringen, maar tot voor kort bestond er geen enkele waarnemer die geschikt was om deze stralen op te vangen.

De lancering van het Chandra X-stralen Observatorium bracht daar echter verandering in en in februari 2000 kreeg een wetenschappelijk team onder leiding van NASA-medewerker Ken Ebisawa de kans om met Chandra een klein deel van de galactische schijf te observeren.

Aanvankelijk leken de resultaten steun te geven aan beide theorieën: er werd zowel diffuse straling als een aantal puntbronnen ontdekt. Bij nader inzien lijken deze puntbronnen – waarbij straling wordt uitgezonden vanuit één bepaald object – erop te wijzen dat de Melkweg inderdaad vreemde sterren bevat die krachtige X-stralen produceren. Maar deze bronnen droegen nauwelijks bij aan de intensiteit van straling in de schijf van de Melkweg. Bovendien bleek de verdeling van de puntbronnen erg te lijken op de manier waarop sterrenstelsels in het heelal verdeeld zijn. De onderzoekers besloten dan ook dat de puntbronnen ver verwijderde sterrenstelsels zijn, die niets te maken hebben met de X-stralen die ons sterrenstelsel doorboren.

En dus haalt de tweede theorie het, die plasma als de verspreider van de galactische röntgenstralen beschouwt. Het raadsel is dan wel opgelost, maar meteen ontstaan er nieuwe onduidelijkheden. Volgens Ebisawa is de temperatuur van het plasma zo hoog dat het niet noodzakelijk meer gebonden is aan de zwaartekracht van de Melkweg. Waarom het dan toch blijft rondhangen weet niemand. Sterker nog, ook waar het vandaan zou komen is nog een open vraag. Mogelijk is het een restant van supernovae, maar omdat er nog geen algemeen aanvaarde modellen zijn om het gedrag van heet galactisch plasma te beschrijven blijft ook dat erg onzeker.

En toen was er licht...

Na de Oerknal, 13 miljard jaar geleden, bleef het jonge universum nog honderden miljoenen jaren een barre en vooral erg donkere plek. Voor de eerste sterren ontstonden en terwijl het hete heelal langzaam afkoelde, trokken enkel reusachtige wolken gas door het heelal. Aan deze duistere tijden komt een einde als uit het gas de eerste sterren ontstaan en de ochtendmist eindelijk optrekt.

35 jaar geleden voorspelden James Gunn en Bruce Peterson dat neutraal waterstofgas straling zou moeten opnemen en dus ook licht zou absorberen. Het zou in principe dus mogelijk moeten zijn de schaduw van de duistere jaren waar te nemen, als men maar ver genoeg in de tijd terugkijkt. Totnogtoe was men er niet in geslaagd de mist te ontdekken, maar daar is sinds kort verandering in gekomen.

In een vervolgstudie die kadert in het Sloan Digital Sky Survey (SDSS), een ambitieus, internationaal programma waarbij men meer dan 200 miljoen hemellichamen in kaart wil brengen, hebben astronomen de gasflarden uit het begin der tijden dan toch voorbij het licht van een ver verwijderde quasar zien trekken. Quasars schijnen met de kracht van miljarden zonnen en kunnen dan ook vanop grote afstanden worden ontdekt. Eén van de objectieven van het SDSS is de afstand bepalen van een 100.000-tal quasars, een inspanning die al spectaculaire resultaten én de vier verst verwijderde bekende quasars opleverde.

Aanvankelijk leek geen van deze 4 objecten uitzonderlijke karakteristieken te vertonen, maar toen de astronomen deze oefeningen herhaalden met de veel krachtiger Keck telescoop op Hawaii, bleek dat het spectrum van de verst verwijderde quasar, waarvan het licht meer dan 12 miljard jaar geleden werd uitgestraald een donkere vlek vertoonde, waar licht bijna volledig afwezig was. Dat moet de ochtendmist wel zijn, argumenteerden de ontdekkers. Maar vooraleer het resultaat bevestigd wordt door andere, nog verder verwijderde quasars, kan het natuurlijk ook één van die andere tientallen vreemde fenomenen zijn waar astronomen onvermijdelijk op stuiten als ze te diep in de ruimte turen.

Planetenstelsel als het onze?

Van een exoplaneet – planeten die niet rond onze zon, maar rond een andere ster cirkelen - meer of minder kijkt niemand meer op. Er zijn er ondertussen dan ook al tientallen beschreven en de catalogus wordt met de regelmaat van de klok aangevuld. De reeds ontdekte planeten leken bovendien nogal sterk op elkaar, zodat het nieuwe er al snel af was. Bijna allemaal hadden ze een massa van enkele keren die van reuzenplaneet Jupiter en cirkelden ze in hoogst excentrieke banen dicht rond hun moederster.

De stroom ontdekkingen heeft er wel toe geleid dat de planetenjagers niet langer meewarig worden bekeken. Van fantasten die een onmogelijke droom achterna liepen zijn ze uitgegroeid tot wetenschappelijke teams die eindelijk ernstig genomen worden en waarvan de meest bekende groep zelfs een project kan lanceren om een telescoop te bouwen die enkel wordt ingezet om exoplaneten op te sporen. En wellicht nog een goede kans maakt om het budget rond te krijgen ook.

Zeker nu de onderzoeksgroep rond Geoffrey Marcy alweer een spectaculaire ontdekking bekend heeft gemaakt. Eerder al werd vastgesteld dat één van de sterren van de constellatie Grote Beer - 47 Ursae Majoris - minstens één planeet heeft, met een massa van 2,5 maal de massa van Jupiter. Met de fijnere apparatuur die vandaag beschikbaar is, kon worden vastgesteld dat de 47Uma nog een tweede gast heeft: een planeet die ongeveer even groter is als Jupiter.

Wat de vondst nog opvallender maakt, is dat beide planeten bijna-circulaire banen volgen, de planeet van Jupiter-grootte bovendien op een behoorlijke afstand van de moederster. Dat maakt van het stelsel rond 47UMa het eerste dat karakteristieken deelt met het stelsel waar de aarde deel van uitmaakt. De exemplaren die eerder in kaart werden gebracht hadden twijfel doen ontstaan bij het voorkomen van zonnestelsels als het onze. Met de recente ontdekking is echter een goede kandidaat opgestaan om te zoeken naar planeten die op de aarde lijken, met de bijhorende en onvermijdelijk hoop op één ervan leven aan te treffen.

Het feit dat alleen reuzenplaneten worden ontdekt heeft overigens veel te maken met de detectiemethode. De planetenjagers speuren naar sterren die een minuscule wiebeling vertonen wat betekent dat de ster naar links en rechts gerukt wordt door de zwaartekracht van een rondcirkelende planeet. Uiteraard zal deze beweging meer uitgesproken zijn bij massieve planeten die dicht bij de ster hun baantjes trekken. Maar als Marcy het 5 miljoen dollar dure telescoopproject kan voltooien, zullen planeten opgespoord kunnen worden met een massa gelijk aan 20 keer die van de aarde, zo maakt de vorser zich sterk.

David de Vaal

Aansluitende artikels:

E.T. bestaat! – 30-07-2001

Hubble-telescoop bepaalt uitdijingssnelheid heelal - 11-06-2001

Deep Impact is go – 30-05-2001

 


 
Related links:

 

Plasma: de vierde staat van materie

Chandra X-stralen Observatorium

Sloan Digital Sky Survey

Keck telescoop

Catalogus exoplaneten

Planetenjagers

 

© David de Vaal