(Opgelet: deze artikels werden voor 2002 geschreven en zijn dus mogelijk gedateerd)

Dichtbij en toch veraf
Tele-onderdompeling toont toekomst van communicatie - 28-03-2001

De vader van de virtuele realiteit heeft zijn schouders onder een nieuw project gezet: tele-onderdompeling. De bedoeling is dat de werkelijkheid in 3 dimensies door een netwerk wordt gestuurd waardoor gesprekspartners die in werkelijkheid honderden kilometers van elkaar verwijderd zijn toch het gevoel zullen hebben elkaar op de schouders te kunnen slaan.

 

Jaron Lanier lijkt op een Muppet, maar wordt doorgaans met meer respect omschreven als de vader van de Virtual Reality (VR), waarin door de computer gecreërde werelden via een computernetwerk door verschillende gebruikers gelijktijdig gebruikt kunnen worden. Hij was het die midden jaren ‘80 de term VR lanceerde, en Lanier stond ook aan de wieg van de apparaten die met deze technologie worden geassocieerd, zoals de VR-helmen en -handschoenen.

Ondertussen is Lanier hoofdonderzoeker bij Advanced Network and Services, een non-profit organisatie die educatie en onderzoek wil helpen door het gebruik van en de technologie achter computernetwerken naar nieuwe hoogten te tillen. Daar houdt hij zich niet langer bezig met virtuele werelden, maar heeft hij een nieuwe uitdaging gevonden: tele-onderdompeling.

Tele-onderdompeling wil verder gaan waar teleconferencing stopt en is vooral ontstaan uit de frustratie die een rondje televergaderen kan opleveren. En dan gaat het niet eens om slechte resoluties, onderbrekingen, vastlopende programma’s of andere vervelende storingen, maar om de inherente beperkingen die het gebruik van één camera met zich meebrengt.

Nu is het best mogelijk dat het vlakke, tweedimensionele beeld dat één camerastandpunt oplevert ruim voldoende is om de baas te laten zien dat men nog steeds wakker is tijdens een vergadering, maar voor communicatie waarin zelfs maar een minimum van interpersoonlijk contact wenselijk is, blijft teleconferencing onbevredigend. Zelfs oogcontact, van moeilijk te onderschatten belang in een conversatie, is niet mogelijk omdat camera en scherm zich niet op dezelfde plaats kunnen bevinden.

Meer in het algemeen kunnen beelden op basis van één camerastandpunt nooit een gevoel van aanwezigheid van de gesprekspartner oproepen. Daar wil Lanier met tele-onderdompeling iets aan doen. Door gebruik te maken van een batterij camera’s - de zogenaamde 'sea of cameras' - en geavanceerde grafische technieken is de groep rond Lanier erin geslaagd een systeem te ontwikkelen waarmee de conversatiepartner en zijn of haar omgeving niet langer wordt afgebeeld, maar op een scherm bij de ontvanger wordt gerecreëerd.

En het werkt, zo bleek uit enkele experimenten, ook al was er nog ruimte voor verbetering en kon de ervaring ‘ondergedompeld’ te zijn heel wat intenser. In de testopstelling zat één ontvanger in een kamer, aan een bureau dat was afgezoomd door twee grote schermen. De plaatsen waar de twee gesprekspartners zich bevonden, waren volgestouwd met camera’s en laserapparatuur om positionele informatie te verzamelen.

Het resultaat mocht er zijn: hoewel de beelden lang niet perfect waren, leek het alsof de ontvanger door een venster de kamer van zijn gesprekspartner in keek, in plaats van het gevoel te hebben naar een televisieuitzending te kijken, een illusie die werd versterkt doordat het beeld reageert op een verandering in de houding van de ontvanger. Zo wordt het mogelijk even over de schouder van de conversatiegenoot te kijken om te zien wat achter hem op de grond ligt.

De geslaagde proeven betekenen echter niet dat tele-onderdompeling morgen als het laatste nieuwe gadget gepromoot zal worden. Op commerciële toepassingen blijft het nog minstens een decennium wachten. Lijken zeven camera’s die als trio’s werken al een hele investering, wacht dan tot de rekenkracht die het vraagt om de stortvloed aan gegevens te verwerken in concrete hardware wordt vertaald. Lanier staat erop commerciële hardware te gebruiken, om de kloof naar de gewone gebruiker al bij aanvang zo klein mogelijk te houden. In de vereenvoudigde proefopstelling - het ging om éénrichtingsverkeer - werd een cluster van 8 2 Gigahertz processoren gebruikt om de data van de camera’s te verwerken, twee soortgelijke processoren om de hoofdbewegingen van de ontvanger in kaart te brengen, en nog een aantal andere processors om tal van andere taken van het complexe proces op zich te nemen.

Wil tele-onderdompeling lukken, dan is niet alleen rekenkracht nodig die de verbeelding overstijgt, maar is ook een zee aan bandbreedte noodzakelijk, én betrouwbare verbindingen. Dat is overigens een geluk bij een ongeluk: het maakt van tele-onderdompeling hét middel bij uistek om het Internet2 te testen, het hogesnelheids en extra ‘bandbrede’ internetalternatief waar een aantal educatieve, technologische en commerciële organisaties hun schouders onder hebben gezet.

De eerste experimenten met tele-onderdompeling werden op dat Internet2 uitgevoerd, en ook daar gingen de meters meteen in het rood. Niet verwonderlijk, als een gezapige snelheid van 2 beeldjes per seconde al capaciteitspieken van 80 megabit per seconde vraagt. De breedband-alternatieven die het grote publiek nu ter beschikking heeft, lijken wel modemlijntjes tegen dergelijk geweld. En Lanier schat dat 25 beeldjes per seconde een minimum zijn om de illusie van aanwezigheid op gang te houden.

Met de basistechnologie en -ideeën achter teleonderdompeling zit het dus wel goed, maar deels zit deze ontwikkeling ook te wachten op de toekomst, waar de processors veel krachtiger zijn, de compressietechnieken effectiever, camera’s goedkoper, het geheugen groter en de bandbreedte maximaal. En tot het zover is, kan Lanier zoeken waar de limieten van het Internet2 liggen en is iedereen tevreden.

(DdV)

 


 
Related links:

 

Jaron Lanier

Internet2

 

© David de Vaal